Art. 7.1.20 Wetboek van Strafvordering
1. Indien de rechtbank of de rechter-commissaris overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, is – tenzij de wet anders bepaalt – tot het nemen van deze beslissing bevoegd de rechtbank die het strafbare feit heeft berecht waarvoor de straf of maatregel is opgelegd, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank.
2. In geval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is bevoegd:
a. de rechtbank die het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, heeft verleend, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank; of
b. de rechtbank in het arrondissement waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank.
3. De rechtbank of de rechter-commissaris kan de beslissing nemen op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de veroordeelde, tenzij de wet anders bepaalt. De rechtbank of de rechter-commissaris kan de beslissing ook ambtshalve nemen naar aanleiding van een vordering of een verzoek, tenzij de wet anders bepaalt.
4. Indien de rechtbank of de rechter-commissaris zich onbevoegd acht te oordelen over een verzoek of bezwaarschrift, wordt de zaak overgedragen aan de bevoegd geachte rechtbank of rechter-commissaris.