Art. 7.1.15 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De ambtenaar die is belast met de opdracht tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding kan voor de aanhouding elke plaats betreden en doorzoeken.

2. Voor de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan uitoefening worden gegeven aan de bevoegdheden in de artikelen 2.7.8 tot en met 2.7.13, 2.7.16, 2.7.35 tot en met 2.7.43, 2.7.45 tot en met 2.7.50, 2.7.52, 2.7.69, 2.8.7 tot en met 2.8.9, 2.8.11, eerste lid, 2.8.13 tot en met 2.8.16, 2.8.18, 8.2.6 en 8.2.7, in samenhang met de voorschriften in de artikelen 2.7.15, 2.7.56, 2.7.59 tot en met 2.7.64 en 2.7.68, met dien verstande dat:

a. een bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend in geval de persoon bij onherroepelijk vonnis of arrest een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd voor een misdrijf waarvoor de bevoegdheid op grond van het desbetreffende artikel mag worden uitgeoefend dan wel voor een dergelijk misdrijf de voorlopige hechtenis van die persoon is bevolen;

b. een bevoegdheid die op grond van het desbetreffende artikel alleen kan worden uitgeoefend na een machtiging van de rechter-commissaris, slechts wordt uitgeoefend na een zodanige machtiging.

3. Indien de in het tweede lid genoemde artikelen de desbetreffende bevoegdheid toekennen aan een opsporingsambtenaar of een hulpofficier van justitie, komt die bevoegdheid toe aan een ambtenaar, genoemd in artikel 1.10.8, eerste lid, dan wel aan zodanige ambtenaar die hulpofficier van justitie is. De officier van justitie kan aan hen bevelen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen