Art. 7.1.16 Wetboek van Strafvordering
1. Degene die is belast met de aanhouding van een persoon of met de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, stelt na de aanhouding de identiteit van de persoon vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8.
2. Indien de aangehouden persoon beweert niet de persoon te zijn tegen wie de opdracht of het bevel is gericht, zorgt Onze Minister voor een eenduidige vaststelling van de identiteit. Indien Onze Minister van oordeel is dat er reden is voor uitoefening van de bevoegdheden in de artikelen 2.6.6, 2.6.7 of 2.6.9, kan Onze Minister de officier van justitie daarvan in kennis stellen.