Art. 7.1.11 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

Een verzoekschrift om gratie heeft geen opschortende werking indien:

a. de veroordeelde op een andere grond rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;

b. het verzoekschrift betrekking heeft op een straf of maatregel ten aanzien waarvan al eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;

c. het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zich bevindt op het grondgebied van een andere staat die een Nederlands verzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijn voorlopige aanhouding heeft bevolen;

d. het verzoekschrift betrekking heeft op straffen of maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging is overgedragen aan een andere staat.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen