Art. 22-2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Ankerpijpen en kabelbakken
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Ankerpijpen en kabelbakken moeten tot op het aan weer en wind blootgestelde dek waterdicht zijn.
2. Wanneer toegangsmogelijkheden aanwezig zijn, moeten deze worden afgesloten met een deugdelijk deksel en worden afgesloten met op korte afstand van elkaar aangebrachte bouten.
3. Ankerpijpen waardoor ankerkabels lopen, moeten zijn voorzien van permanent aangebrachte afsluitmiddelen om het binnendringen van water tot een minimum te beperken.
Vorige artikelen
- Artikel 19 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 20 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 21 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 23 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 24 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 26 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966