Art. 23 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Patrijspoorten, ramen en dakramen
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Patrijspoorten en ramen, alsmede de glasschijven, blinden en stormdeksels*Blinden worden aan de binnenzijde van ramen en patrijspoorten aangebracht; stormdeksels worden aan de buitenzijde van ramen aangebracht, indien toegankelijk, en kunnen scharnierend of wegneembaar zijn. ervan moeten van een goedgekeurd ontwerp en deugdelijke constructie zijn. Niet-metalen omlijstingen zijn niet aanvaardbaar.
2. Patrijspoorten worden omschreven als ronde of ovalen openingen met een oppervlakte van ten hoogste 0,16 m2. Ronde of ovale openingen met een oppervlakte van meer dan 0,16 m2 worden aangemerkt als ramen.
3. Ramen worden omschreven als doorgaans rechthoekige openingen, die op elke hoek een straal hebben overeenkomend met de omvang van het raam en ronde of ovale openingen met een oppervlakte van meer dan 0,16 m2.
4. Patrijspoorten naar de volgende ruimten moeten aan de binnenzijde zijn voorzien van scharnierende blinden. Blinden moeten worden gesloten en waterdicht worden gesloten indien deze onder het vrijboorddek zijn aangebracht en moeten waterdicht zijn indien deze daarboven zijn aangebracht.
a. ruimten onder het vrijboorddek;
b. ruimten binnen de eerste laag van gesloten bovenbouwen; en
c. dekhuizen op de eerste laag op het vrijboorddek die openingen beschermen die naar beneden leiden of die volgens de stabiliteitsberekeningen over drijfvermogen beschikken.
5. Patrijspoorten mogen niet worden aangebracht op een zodanige plaats dat de onderkant van de dagopening lager ligt dan een lijn die evenwijdig loopt aan het vrijboorddek in de zijde en waarvan het laagste punt zich bevindt op 2,5% van de breedte (B) boven de lijn voor zomeruitwatering (of lijn voor zomerhoutvaartuitwatering, indien vastgesteld) of 500 mm daarboven, naar gelang van welke de grootste afstand is.
6. Indien de vereiste stabiliteitsberekeningen erop duiden dat de patrijspoorten in een tussenliggend stadium van vollopen of bij de waterlijn in de uiteindelijke evenwichtspositie onder water zouden komen te staan, moeten deze van het niet-openende type zijn.
7. Op de volgende plaatsen mogen geen ramen worden aangebracht:
a. onder het vrijboorddek;
b. in de eindschotten of zijden van de eerste laag van gesloten bovenbouwen; of
c. in dekhuizen op de eerste laag die volgens de stabiliteitsberekeningen over drijfvermogen beschikken.
8. Indien de bovenbouw bescherming biedt tegen directe toegang tot een opening die naar beneden leidt of volgens de stabiliteitsberekeningen over drijfvermogen beschikt, moeten de patrijspoorten en ramen in de zijhuid in de tweede laag worden voorzien van scharnierende blinden aan de binnenzijde die kunnen worden gesloten en waterdicht kunnen worden afgesloten.
9. De patrijspoorten en ramen in zijschotten aan de binnenzijde van de zijhuid in de tweede laag die de directe toegang naar beneden beschermen naar de lid 4 genoemde ruimten, moeten worden voorzien van hetzij scharnierende blinden aan de binnenzijde, hetzij, wanneer deze toegankelijk zijn, vast aangebrachte externe stormdeksels die kunnen worden gesloten en waterdicht kunnen worden afgesloten.
10. De patrijspoorten of ramen behoeven niet van blinden of stormdeksels te worden voorzien indien de patrijspoorten en ramen in de tweede laag en daarboven door hutschotten en -deuren worden afscheiden van een rechtstreekse toegang die naar beneden leidt, of indien de tweede laag volgens de stabiliteitsberekeningen drijfvermogen bezit.
11. Dekhuizen gelegen op een verhoogd halfdek of op het dek van een bovenbouw met een hoogte geringer dan de standaardhoogte mogen worden beschouwd als zijnde in de tweede laag voor zover het de vereisten voor blinden betreft, mits de hoogte van het verhoogde halfdek of de bovenbouw gelijk is aan of groter is dan de standaardhoogte van het halfdek.
12. Vaste of opengaande dakramen moeten een glasdikte bezitten die overeenkomt met de grootte en plaats ervan, als vereist voor patrijspoorten en ramen. Dakramen moeten op alle plaatsen worden beschermd tegen mechanische beschadiging en, wanneer zij zijn aangebracht op een plaats van categorie 1 of 2, worden voorzien van vast aangebrachte blinden of stormdeksels.
Vorige artikelen
- Artikel 20 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 21 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 24 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 26 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 27 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966