Art. 24 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Waterloospoorten

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

a. Wanneer een verschansing op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van de vrijboord- of bovenbouwdekken kuilen vormt, moet ruim gelegenheid tot lozing van water bestaan.

b. Behalve als voorzien in de leden 2 en 3 van dit voorschrift, moet de minimumoppervlakte A aan elke zijde van het schip voor elke kuil op het vrijboorddek gelijk zijn aan die volgens onderstaande formule wanneer de zeeg op de plaats van de kuil gelijk is aan of groter dan de standaardzeeg. De minimumoppervlakte voor elke kuil op een bovenbouwdek moet de helft van de in de formule gegeven oppervlakte bedragen. Wanneer de lengte van de verschansing l in de kuil 20 m of minder is: A = 0,7 + 0,035 l m2; Wanneer l meer dan 20 m is: A = 0,07 l m2. l behoeft in geen geval groter te worden genomen dan 0,7 L. Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing meer is dan 1,2 m, moet de voorgeschreven oppervlakte worden vergroot met 0,004 m2 per meter kuillengte voor elke 0,1 m verschil in hoogte. Indien de gemiddelde hoogte van de verschansing minder is dan 0,9 m, mag de voorgeschreven oppervlakte met 0,004 m2 per m kuillengte worden verkleind voor elke 0,1 m verschil in hoogte.

c. Bij schepen zonder zeeg wordt de overeenkomstig onderdeel b berekende oppervlakte met 50% verhoogd. Wanneer de zeeg kleiner is dan de standaardzeeg, wordt het percentage verkregen door middel van lineaire interpolatie.

d. Op een gladdekschip met een dekhuis midscheeps met een breedte van ten minste 80% van de grootste breedte van het schip en waarbij de gangpaden langs de zijde van het schip niet breder zijn dan 1,5 m, worden twee kuilen gevormd. Elke kuil moet een waterloosoppervlakte hebben die op grond van de lengte van elke kuil vereist is.

e. Wanneer over de volledige breedte van het schip aan de voorzijde van een midscheeps geplaatst dekhuis een schermschot is aangebracht, wordt het blootgestelde dek verdeeld in twee kuilen en is er geen beperking ten aanzien van de breedte van het dekhuis.

f. Kuilen op verhoogde halfdekken moeten worden beschouwd als zijnde op vrijboorddekken.

g. Gootranden met een hoogte van meer dan 300 mm die rond aan weer en wind blootgestelde dekken van tankschepen ter plaatse van losaansluitingen of laadleidingen zijn aangebracht, moeten als verschansingen worden beschouwd. Waterloospoorten moeten in overeenstemming met dit voorschrift worden aangebracht. Afsluitingen die op de waterloospoorten zijn aangebracht voor gebruik tijdens laad- en loswerkzaamheden, moeten zodanig worden aangebracht dat deze op zee niet vast kunnen gaan zitten.

2. Wanneer een schip uitgerust met een trunk niet voldoet aan de vereisten van voorschrift 36, lid 1, e, of wanneer doorlopende of grotendeels doorlopende langshoofden van luikopeningen zijn aangebracht tussen een onderbroken bovenbouw, wordt de minimumoppervlakte van de waterloospoorten aan de hand van de volgende tabel berekend:

Breedte van het luikhoofd of de trunk in verhouding tot de breedte van het schip

Oppervlakte van de waterloospoorten in verhouding tot de totale oppervlakte van de verschansingen

40 % of minder

75 % of meer

20%

10%

De oppervlakte van waterloospoorten op tussenliggende breedten moet worden verkregen door middel van lineaire interpolatie.

3. De doeltreffendheid van de in lid 1 vereiste waterloosruimte in verschansingen hangt af van het vrije uitstroomgedeelte over het dek van een schip. De vrije uitstroomoppervlakte aan dek is de netto-oppervlakte van ruimten tussen luikopeningen, en tussen luikopeningen en bovenbouwen en dekhuizen tot aan de feitelijke hoogte van de verschansing. De oppervlakte van de waterloospoorten in verschansingen moet als volgt worden berekend in relatie tot de netto vrije uitstroomoppervlakte:

a. Indien de vrije uitstroomoppervlakte niet minder bedraagt dan de ingevolge lid 2 berekende waterloosruimte als waren de luikhoofden doorlopend, wordt de ingevolge lid 1 berekende minimumoppervlakte van de waterloospoorten voldoende geacht.

b. Indien de vrije uitstroomoppervlakte gelijk is aan of minder bedraagt dan de ingevolge lid 1 berekende oppervlakte, wordt de minimum waterloosoppervlakte in de verschansingen vastgesteld aan de hand van lid 2.

c. Indien de vrije uitstroomoppervlakte kleiner is dan berekend ingevolge lid 2, doch groter dan berekend ingevolge lid 1, wordt de minimumwaterloosoppervlakte in de verschansing vastgesteld aan de hand van de volgende formule:

F = F1 + F2 - fp (m2)

waarbij:

F1 de aan de hand van lid 1 berekende minimumwaterloosoppervlakte is;

F2 de aan de hand van lid 2 berekende minimumwaterloosoppervlakte is; en

fp de totale netto-oppervlakte van passages en openingen is tussen luikeinden en bovenbouwen of dekhuizen tot aan de feitelijke hoogte van de verschansing.

4. Op schepen met bovenbouwen op het vrijboorddek of op de bovenbouwdekken, die aan een van de zijden of aan weerszijden een opening hebben naar kuilen in de vorm van verschansingen op de open dekken, moeten deugdelijke voorzieningen worden getroffen voor de afwatering van de open ruimten binnen de bovenbouwen. De minimumoppervlakte van de waterloospoorten aan weerszijden van het schip voor de open bovenbouw (As) en voor de open kuil (Aw), moet worden berekend in overeenstemming met de volgende procedure:

a. Bepaal de totale kuillengte (lt) die gelijk is aan de som van de lengte van het open dek dat door verschansingen is omsloten (lw) en de lengte van de gemeenschappelijke ruimte binnen de open bovenbouw (ls).

b. Om As te bepalen:

i. bereken de oppervlakte van de waterloospoorten (A) vereist voor een open kuil met lengte lt in overeenstemming met lid 1 met een aangenomen standaardhoogte van de verschansing;

ii. vermenigvuldig met een factor 1,5 voor correctie van de afwezigheid van zeeg, indien van toepassing, in overeenstemming met lid 1, c;

iii. vermenigvuldig met de factor (bo/lt) om de oppervlakte van de waterloospoorten te corrigeren voor de breedte (bo) van de openingen in het eindschot van de ingesloten bovenbouw;

iv. om de oppervlakte van de waterloospoorten te corrigeren voor dat gedeelte van de volledige lengte van de kuil welk door de open bovenbouw wordt ingesloten, vermenigvuldig met de factor: 1 – (lw/lt)2 waarbij lw en lt worden gedefinieerd in lid 4, a;

v. om de oppervlakte van de waterloospoorten te corrigeren voor de afstand van het kuildek boven het vrijboorddek, voor dekken die meer dan 0,5hs boven het vrijboorddek liggen, vermenigvuldig met de factor: 0,5 (hs/hw) waarbij hw de afstand van het kuildek boven het vrijboorddek is en hs een standaardhoogte van de bovenbouw is.

c. Om Aw te bepalen:

i. moet de oppervlakte van de waterloospoorten voor de open kuil (Aw) worden berekend in overeenstemming met b. i., met gebruikmaking van lw om de nominale oppervlakte van de waterloospoorten (A’) te berekenen, en moet dit vervolgens worden gecorrigeerd voor de feitelijke hoogte van de verschansing (hb) door toepassing van een van de volgende oppervlaktecorrecties, naar gelang van welke van toepassing is: voor verschansingen met een hoogte van meer dan 1,2 m: Ac = lw((hb – 1,2)/0,10)(0,004) m2; voor verschansingen met een hoogte van minder dan 0,9 m: Ac = lw((hb – 0,9)/0,0)(0,04) m2; voor verschansingen met een hoogte tusssen 1,2 m en 0,9 m is er geen correctie (d.w.z. Ac = 0);

ii. de gecorrigeerde oppervlakte van de waterloospoorten (Aw =A’ + Ac) moet vervolgens worden gecorrigeerd voor de afwezigheid van zeeg, indien van toepassing, en hoogte boven vrijboorddek als in b. ii. en b. v., met gebruikmaking van hs en hw.

d. De resulterende oppervlakten van de waterloospoorten voor de open bovenbouw (As) en voor de open kuil (Aw) moeten worden gehanteerd langs respectievelijk elke zijde van de open ruimte die door de open bovenbouw wordt bestreken en elke zijde van de open kuil.

e. De bovenstaande verhoudingen worden samengevat in de volgende vergelijkingen, waarbij wordt aangenomen dat lt, de som vanlw en ls, meer bedraagt dan 20 m:

oppervlakte van de waterloospoorten Aw voor de open kuil: Aw = (0,07lw + Ac) (zeegcorrectie) (0,5hs/hw);

oppervlakte van de waterloospoorten As voor de open bovenbouw:

As = (0,07lt) (zeegcorrectie) (bo/lt (1 – (lw/lt)2) (0,5hs/hw);

wanneer lt 20 m of minder bedraagt, is de basisoppervlakte van de waterloospoorten A = 0,7 + 0,035lt in overeenstemming met lid 1.

5. De onderkanten van de waterloospoorten moeten zo dicht boven het dek liggen als praktisch uitvoerbaar is. Twee derde van de voor de waterloospoorten vereiste oppervlakte moet in die helft van de kuil zijn aangebracht, welke het dichtst bij het laagste punt van de zeeg is gelegen. Een derde van de vereiste oppervlakte voor de waterloospoorten moet gelijkmatig over de overblijvende lengte van de kuil worden verdeeld. Met geen of weinig zeeg op het blootgestelde vrijboorddek of een blootgesteld bovenbouwdek moet de oppervlakte van de waterloospoorten gelijkmatig over de lengte van de kuil worden verdeeld.

6. Alle openingen van waterloospoorten in de verschansing moeten door een rasterwerk of staven met een onderlinge afstand van ongeveer 230 mm worden beschermd. Indien kleppen zijn aangebracht, moet voor ruime speling worden gezorgd teneinde klemmen te vermijden. De scharnieren moeten van pennen of lagers van roestvrij materiaal zijn voorzien. Kleppen mogen niet zijn voorzien van vastzetmiddelen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen