Art. 19 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Luchtkokers

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Luchtkokers op plaatsen van categorie 1 of 2 in verbinding met ruimten onder vrijboorddekken of dekken van een gesloten bovenbouw moeten potten hebben van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal, van stevige constructie en deugdelijk bevestigd aan het dek. Luchtkokers op plaatsen van categorie 1 moeten potten met een hoogte van ten minste 900 mm boven het dek hebben; op plaatsen van categorie 2 moeten de potten een hoogte hebben van ten minste 760 mm boven het dek. Wanneer een luchtkoker hoger is dan 900 mm, moet deze extra gesteund worden.

2. Luchtkokers gevoerd door een bovenbouw die geen gesloten bovenbouw is, moeten op het vrijboorddek voorzien zijn van potten van deugdelijke constructie van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal.

3. Luchtkokers op plaatsen van categorie 1 waarvan de potten meer dan 4,5 m boven het dek uitsteken en op plaatsen van categorie 2 waarvan de potten meer dan 2,3 m boven het dek uitsteken, behoeven niet te zijn voorzien van afsluitvoorzieningen tenzij de Administratie zulks uitdrukkelijk verlangt.

4. Behalve in het geval bedoeld in lid 3 moeten de luchtkokeropeningen voorzien zijn van deugdelijke en waterdichte afsluitmiddelen van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal. Bij schepen die niet meer dan 100 m lang zijn, moeten de afsluitmiddelen blijvend zijn aangebracht; waar dit niet het geval is bij schepen van grotere lengte, moeten zij op gemakkelijk te bereiken plaatsen bij de luchtkokers waarop zij moeten worden aangebracht aanwezig zijn.

5. Het is mogelijk dat de hoogte van de potten op blootgestelde plaatsen ten genoegen van de Administratie moet worden vergroot.

Vorige artikelen

Volgende artikelen