Art. 20 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Luchtpijpen
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Wanneer luchtpijpen van ballasttanks en andere tanks boven vrijboord- of bovenbouwdekken reiken, moeten de blootgestelde delen van de pijpen van voldoende sterkte zijn; de hoogte vanaf het dek tot het punt waar water beneden kan binnendringen moet ten minste 760 mm zijn op het vrijboorddek en 450 mm op het bovenbouwdek.
2. Wanneer deze hoogten een belemmering vormen voor de werkzaamheden aan boord, kan goedkeuring voor een geringere hoogte worden gegeven, mits de Administratie ervan overtuigd is dat de afsluitvoorzieningen en andere omstandigheden een geringere hoogte rechtvaardigen.
3. Luchtpijpen moeten zijn voorzien van automatische afsluitmiddelen.
4. Op tankschepen mogen over-/onderdrukkleppen (PV-kleppen) worden aanvaard.
Vorige artikelen
- Artikel 15 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 16 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 17 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 18 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 19 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 21 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 23 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966