Art. 26 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Bijzondere voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor schepen van het type A

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Schachten boven de machineruimte op schepen van het type A als omschreven in voorschrift 27 moeten worden beschermd door een van de volgende voorzieningen:

a. een gesloten kampanje of brug van ten minste standaardhoogte; of

b. een dekhuis van gelijke hoogte en van gelijke sterkte.

2. De schachten boven een machineruimte mogen evenwel zijn blootgesteld indien er geen openingen zijn die rechtstreeks toegang verlenen vanaf het vrijboorddek naar de machineruimte. Een deur die voldoet aan de eisen van voorschrift 12 mag evenwel in de schachten boven de machineruimte aanwezig zijn, mits deze leidt naar een ruimte of gang die van even sterke constructie is als de schacht en van de trap naar de machinekamer gescheiden is door een tweede waterdichte deur van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal.

3. Op schepen van het type A moet een in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 25-1, lid 2, e, gebouwde vaste loopbrug worden aangebracht op een hoogte gelijk aan die van het dek van de bovenbouw tussen de kampanje en een midscheeps geplaatst brughuis of eventueel dekhuis. De in voorschrift 25-1, lid 2, a, genoemde voorziening wordt beschouwd als een gelijkwaardig toegangsmiddel om als loopbrug dienst te doen.

4. Er moet te allen tijde een veilig middel aanwezig zijn om vanaf de loopbrug de verschillende verblijven van de bemanning te bereiken en om van deze verblijven de machineruimte te bereiken, en omgekeerd.

5. Blootgestelde luikhoofden op het vrijboorddek en het bakdek of het dek van expansietrunks op schepen van het type A moeten zijn voorzien van deugdelijke waterdichte luiken van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal.

6. Schepen van het type A met verschansingen moeten een open relingwerk hebben, dat over ten minste de halve lengte van het aan weer en wind blootgestelde dek is aangebracht of van andere gelijkwaardige middelen voor waterlozing zijn voorzien. Een oppervlakte van de waterloospoorten, in het onderste gedeelte van de verschansingen, van 33% van de totale oppervlakte van de verschansingen, is een aanvaardbaar middel voor waterlozing. De bovenkant van de berghoutsgang moet zo laag mogelijk worden gehouden.

7. Wanneer delen van de bovenbouw door een trunk zijn verbonden, moet over de volle lengte van het blootgestelde gedeelte van het vrijboorddek open relingwerk zijn aangebracht.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen