Art. 25 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Bescherming van de bemanning
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. De constructie van de dekhuizen voor het onderbrengen van de bemanning moet een aanvaardbaar niveau van sterkte bezitten.
2. Rondom alle blootgestelde dekken moeten relingen of verschansingen worden aangebracht. De hoogte van de verschansing of van het relingwerk moet ten minste 1 m boven het dek zijn; indien evenwel deze hoogte een belemmering vormt voor de normale werkzaamheden aan boord, kan goedkeuring worden verleend voor een geringere hoogte indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bescherming aanwezig is.
3. Relingwerk dat wordt aangebracht op bovenbouw- en vrijboorddekken moet ten minste drie roeden hebben. De opening beneden de onderste roede van het relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm. De andere roeden mogen niet meer dan 380 mm van elkaar zijn verwijderd. In het geval van schepen met een ronde overgang van huid naar dek moeten de steunen voor het relingwerk op het horizontale gedeelte van het dek geplaatst worden. Op andere plaatsen moet relingwerk met ten minste twee roeden worden aangebracht. Relingwerk moet voldoen aan de volgende bepalingen:
a. vaste, verwijderbare of scharnierende houvasten moeten met een tussenruimte van ongeveer 1,5 m worden aangebracht. Verwijderbare of scharnierende houvasten moeten rechtop kunnen worden vergrendeld;
b. ten minste elk derde houvast moet worden ondersteund door een beugel of steun;
c. wanneer zulks voor de normale exploitatie van het schip noodzakelijk is, mogen staaldraden worden gebruikt in plaats van relingwerk. De draden moeten worden strakgezet door middel van spanschroeven; en
d. wanneer zulks voor de normale exploitatie van het schip noodzakelijk is, zijn tussen twee vast aangebrachte houvasten en/of verschansingen bevestigde kettingen aanvaardbaar in plaats van relingwerk.
4. Ten behoeve van de krachtens voorschrift 25-1 vereiste veilige doorgang moet worden gezorgd voor toereikende middelen (zoals relingwerk, handleiders, loopbruggen of gangen onder het dek, enz.) voor bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, de machineruimte en alle andere ruimten die worden gebruikt voor de noodzakelijke werkzaamheden aan boord.
5. Alle op een schip vervoerde deklading moet zodanig worden gestuwd dat elke opening ter plaatse van de lading die toegang geeft naar of leidt vanuit de verblijven van de bemanning, de machineruimte en alle andere ruimten die worden gebruikt voor de noodzakelijke werkzaamheden aan boord behoorlijk kan worden afgesloten tegen het binnendringen van water. Er moet voor bescherming van de bemanning boven de deklading worden gezorgd in de vorm van relingwerk of handleiders indien er zich op of beneden het dek van het schip geen geschikte gang bevindt.
Vorige artikelen
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22-2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 23 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 24 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 25-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 26 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 27 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 28 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 29 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966