Art. 22-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Stortkokers
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. In plaats van de terugslagklep die van een plaats boven het vrijboorddek kan worden bediend, zijn twee kanaalafsluiters die vanaf het werkdek van de koker worden bediend en die aan de volgende bepaling voldoen, aanvaardbaar:
a. de onderste kanaalafsluiter moet worden bediend van een plaats boven het vrijboorddek. Tussen de twee afsluiters moet een vergrendelingssysteem worden aangebracht;
b. het uiteinde aan binnenboordzijde moet zijn aangebracht boven de waterlijn, gevormd door een helling van 8,5° naar bak- of stuurboord bij een diepgang die overeenkomt met het vastgestelde zomervrijboord, doch ten minste 1000 mm boven de zomeruitwateringslijn. Wanneer het uiteinde aan binnenboordzijde zich meer dan 0,01 L boven de zomeruitwateringslijn bevindt, is bediening vanaf het vrijboorddek niet vereist, mits de kanaalklep binnenboord onder dienstomstandigheden steeds toegankelijk is; en
c. als alternatief mogen de bovenste en onderste kanaalafsluiters worden vervangen door een scharnierend waterdicht deksel op het uiteinde aan binnenboordzijde van de koker, tezamen met een loosklep. Het deksel en de klep moeten worden voorzien van een vergrendeling zodat de klep niet kan worden bediend voordat het deksel van het reservoir gesloten is.
2. De gehele koker, inclusief deksel, moet worden vervaardigd van materiaal van voldoende dikte.
3. De bedieningsorganen van de kanaalafsluiters en/of scharnierende deksels moeten duidelijk worden gemarkeerd met de volgende tekst: „Gesloten houden wanneer niet in gebruik”.
4. Wanneer het uiteinde aan binnenboordzijde van de koker zich onder het vrijboorddek van een passagiersschip bevindt of onder de evenwichtswaterlijnen van een vrachtschip waarop vereisten inzake stabiliteit bij averij van toepassing zijn, dan:
a. moet de scharnierende deksel/afsluiter op het uiteinde aan binnenboordzijde waterdicht zijn;
b. moet de afsluiter een losse terugslagklep zijn die is aangebracht op een toegankelijke plaats boven de diepste uitwateringslijn; en
c. moet de losse terugslagklep worden bediend vanaf een plaats boven het schottendek en zijn voorzien van open/dicht aanduidingen. De bedieningsorganen van de afsluiter moeten duidelijk worden gemarkeerd met de volgende tekst: „Gesloten houden wanneer niet in gebruik”.
Vorige artikelen
- Artikel 18 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 19 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 20 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 21 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 22-2 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 23 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 24 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 25-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966