Art. 25-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Middelen voor een veilige doorgang van de bemanning

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Er moet voor een veilige doorgang van de bemanning worden gezorgd door ten minste een van de in onderstaande tabel 25-1.1 voorgeschreven middelen. Tabel 25-1.1

* Olietankschepen, chemicaliëntankschepen en gastankschepen als omschreven in respectievelijk voorschriften II-1/2.12, VII/8.2 en VII/11.2 van het Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd

** Af: het minimumzomervrijboord voor schepen van het type ‘A” ongeacht het werkelijk vastgestelde vrijboord Hs: de standaardhoogte van een bovenbouw als omschreven in voorschrift 33

*** Voorzieningen (a)-(f) zijn omschreven in het onderstaande lid 2. Locati es (i)-(v) zijn omschreven in het onderstaande lid 3.

2. Aanvaardbare middelen als bedoeld in tabel 25-1.1 worden als volgt gedefinieerd:

a. Een goed verlichte en geventileerde gang beneden het dek (met een duidelijke opening met een breedte van ten minste 0,8 m en een hoogte van 2 m), zo dicht als praktisch mogelijk bij het vrijboorddek, die de desbetreffende locaties verbindt en daartoe toegang biedt.

b. Een permanent aangebrachte en deugdelijk geconstrueerde loopbrug, aangebracht op of boven het niveau van het bovenbouwdek, op of zo dicht als praktisch mogelijk bij het hart van het schip, dat een doorlopend platform biedt van ten minste 0,6 m breed met anti-slipoppervlak en met relingwerk dat zich aan beide zijden over de volledige lengte ervan uitstrekt. Relingwerk moet ten minste 1 m hoog zijn met drie roeden en zijn geconstrueerd in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 25, lid 3. Er moet een voetstop worden aangebracht.

c. Een vast aangebracht looppad met een breedte van ten minste 0,6 m, aangebracht op het niveau van het vrijboorddek en bestaande uit twee rijen relingwerk met houvasten met een tussenruimte van ten hoogste 3 m. Het aantal roeden van het relingwerk en de onderlinge afstand ervan moeten in overeenstemming zijn met voorschrift 25, lid 3. Op schepen van het type B mogen luikhoofden met een hoogte van ten minste 0,6 m worden aanvaard als vormende één zijde van het looppad, mits twee rijen relingwerk tussen de luiken worden aangebracht.

d. Handleiders van staaldraad met een diameter van ten minste 10 mm, ondersteund door houvasten met een tussenruimte van ten hoogste 10 m, of een enkele aan de luikhoofden bevestigde, doorlopende en tussen de luiken ondersteunde handrail of staaldraad.

e. Een vast aangebrachte loopbrug die:

i. is geplaatst op of boven het niveau van het bovenbouwdek;

ii. is geplaatst op of zo dicht als praktisch mogelijk bij het hart van het schip;

iii. zodanig is geplaatst dat de gemakkelijke toegang van en naar de werkgebieden van het dek niet wordt gehinderd;

iv. een doorlopend platform biedt van ten minste 1 m breed;

v. is vervaardigd van brandwerend en anti-slipmateriaal;

vi. is voorzien van relingwerk dat zich aan beide zijden over de volle lengte ervan uitstrekt; het relingwerk moet ten minste 1 m hoog zijn, met de roeden als vereist in voorschrift 25, lid 3, en worden ondersteund door houvasten met een tussenruimte van ten hoogste 1,5 m;

vii. aan beide zijden van een voetstop is voorzien;

viii. openingen naar en van het dek heeft, eventueel met ladders. Openingen mogen niet meer dan 40 m uit elkaar liggen; en

ix. is voorzien van schuilgelegenheden ter plaatse van de loopbrug met een onderlinge afstand van ten hoogste 45 m indien de lengte van het blootgestelde dek dat moet worden overgestoken meer dan 70 m bedraagt.

f. Een vast aangebracht looppad op het niveau van het vrijboorddek, op of zo dicht als praktisch mogelijk bij het hart van het schip, met dezelfde specificaties als die welke gelden voor een onder e genoemd vast aangebrachte loopbrug, behoudens wat betreft de voetstops. Op schepen van het type B (die vloeistoffen in bulk mogen vervoeren) waarvan de totale hoogte van luikhoofd plus aangebracht luikdeksel ten minste 1 m bedraagt, mogen luikhoofden worden aanvaard als vormende één zijde van het looppad, mits twee rijen relingwerk tussen de luiken worden aangebracht.

3. Toegestane dwarslocaties voor de voorzieningen van bovengenoemd lid 2, c, d en f, waar van toepassing:

i. op of nabij het hart van het schip; of aangebracht op luiken op of nabij hart schip;

ii. aangebracht aan weerszijden van het schip;

iii. aangebracht aan één zijde van het schip, waarbij voorzieningen worden getroffen voor het aanbrengen aan een van beide zijden;

iv. aangebracht aan slechts één zijde van het schip;

v. aangebracht aan weerszijden van de luiken, zo dicht bij hart schip als praktisch mogelijk is.

a. Wanneer staaldraden zijn aangebracht, moeten spanschroeven worden aangebracht om deze op spanning te kunnen houden.

b. Wanneer zulks voor de normale exploitatie van het schip noodzakelijk is, mogen staaldraden worden gebruikt in plaats van relingwerk.

c. Wanneer zulks voor de normale exploitatie van het schip noodzakelijk is, zijn tussen twee vast aangebrachte houvasten bevestigde kettingen aanvaardbaar in plaats van relingwerk.

d. Wanneer houvasten zijn aangebracht, moet elk derde houvast worden ondersteund door een beugel of steun.

e. Verwijderbare of scharnierende houvasten moeten rechtop kunnen worden vergrendeld.

f. Er moet een voorziening worden aangebracht die het mogelijk maakt om over obstakels zoals leidingen of andere installaties van permanente aard heen te gaan.

g. In het algemeen mag de breedte van de loopbrug of het looppad op dekniveau niet meer dan 1,5 m bedragen.

5. Ten aanzien van tankschepen met een lengte van minder dan 100 m mag de minimumbreedte van de loopbrug of het looppad op dekniveau, respectievelijk aangebracht in overeenstemming met bovenstaand lid 2, e of f, worden beperkt tot 0,6 m.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen