Art. 18 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Diverse openingen in vrijboord- en bovenbouwdekken

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Mangaten of verzonken stortgatranden die zich op plaatsen van categorie 1 of 2 bevinden of in een bovenbouw die geen gesloten bovenbouw is, moeten worden gesloten door middel van stevige deksels die een waterdichte afsluiting verzekeren. Tenzij deze zijn bevestigd door zich op korte afstand van elkaar bevindende bouten, moeten de deksels op blijvende wijze zijn aangebracht.

2. Openingen in vrijboorddekken die geen luikhoofden, openingen boven machineruimten, mangaten of verzonken stortgatranden zijn, moeten worden beschermd door een gesloten bovenbouw of door een dekhuis of toegangskap van gelijkwaardige sterkte en waterdichtheid. Op soortgelijke wijze moet iedere dergelijke opening in een blootgesteld bovenbouwdek of in de top van een dekhuis op het vrijboorddek die toegang verleent tot een ruimte onder het vrijboorddek, dan wel tot een ruimte binnen een gesloten bovenbouw zijn beschermd door een deugdelijk dekhuis of een deugdelijke toegangskap. Deuropeningen in dergelijke dekhuizen of toegangskappen moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 12, lid 1. Indien trapgedeelten binnen een dekhuis zijn ingesloten binnen naar behoren geconstrueerde toegangskappen voorzien van deuren die voldoen aan voorschrift 12, lid 1, behoeft de buitendeur niet waterdicht te zijn.

3. Openingen in de bovenzijde van een dekhuis op een verhoogd halfdek of bovenbouw van geringere hoogte dan standaardhoogte, met een hoogte gelijk aan of groter dan de standaardhoogte van het halfdek, moeten worden voorzien van een aanvaardbaar afsluitmiddel, maar behoeven niet te worden beschermd door een dekhuis of toegangskap als omschreven in het voorschrift, mits de hoogte van het dekhuis ten minste de standaardhoogte van een bovenbouw bedraagt. Openingen in de bovenzijde van het dekhuis op een dekhuis met een hoogte van minder dan de standaardhoogte van de bovenbouw mogen op dezelfde wijze worden behandeld.

4. Op plaatsen van categorie 1 moeten de drempels van de deuropeningen in de toegangskappen een hoogte van ten minste 600 mm boven het dek hebben. Op plaatsen van categorie 2 moet de hoogte van de drempels ten minste 380 mm bedragen.

5. Wanneer een toegang vanaf het boven gelegen dek aanwezig is als alternatief voor toegang vanaf het vrijboorddek in overeenstemming met voorschrift 3, lid 10, b, moet de hoogte van drempels naar een brug of kampanje 380 mm bedragen. Hetzelfde is van toepassing op dekhuizen op het vrijboorddek.

6. Wanneer geen toegang van bovenaf aanwezig is, moet de hoogte van de drempels naar deuren in dekhuizen op het vrijboorddek 600 mm bedragen.

7. Wanneer de afsluitmiddelen van toegangsopeningen in bovenbouwen en dekhuizen niet in overeenstemming zijn met voorschrift 12, lid 1, moeten openingen aan de binnenzijde van het dek worden beschouwd als blootgesteld (bijvoorbeeld gelegen in het open dek).

Vorige artikelen

Volgende artikelen