Conclusie A-G IJzerman 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1860

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 13/04999 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 12 september 2013, nrs. 12/00122 en 12/00123, ECLI:NL:GHAMS:2013:2884, V-N 2013/60.1.3. De vader van belanghebbende heeft in het jaar 2000 een trust naar het recht van de staat New York opgericht en heeft daarin door inbreng onder trustverband vermogen afgezonderd. Het doel van de trust is het in stand houden en op termijn aanwenden van het vermogen ten gunste van de (destijds nog zeer jonge) dochter, belanghebbende. Belanghebbende heeft bij aangiften voor het recht van schenking over 2000 en 2001 het inbrengen van vermogen onder trustverband als schenkingen aangegeven. Ter zake zijn aanslagen opgelegd aan belanghebbende. In 2010, heeft belanghebbende de Inspecteur op grond van artikel XA van de wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten, verzocht om vermindering en teruggaaf te verlenen van deze aanslagen. Dit verzoek is door de Inspecteur afgewezen, hetgeen heeft geleid tot de onderhavige procedure. In geschil is of belanghebbende recht heeft op de in 2010 verzochte vermindering van het bij haar eerder geheven schenkingsrecht over 2000 en 2001. Daartoe stelt belanghebbende met name dat zij niet, althans nog niet in 2010, een juridisch afdwingbaar recht heeft jegens de trust, zodat het trustvermogen niet aan haar moet worden toegerekend, maar aan haar vader als inbrenger. De Rechtbank heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Daartoe is overwogen dat de bepalingen van de trustakte ertoe leiden dat belanghebbende na het bereiken van bepaalde leeftijden, vanaf haar 21ste en 30ste, deelaanspraken zal verkrijgen op het trustvermogen en dat bij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar het gehele vermogen aan haar zal zijn uitgekeerd. In hoger beroep heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Daartoe heeft het Hof doorslaggevend geacht dat belanghebbende de rechten uit de trustakte geldend zal kunnen maken, evenals haar rechtsopvolgers onder algemene titel. Belanghebbende in cassatie. De eerste vraag die in cassatie voorligt is of belanghebbende gehouden is aan de afspraken die zij voorafgaand aan de inbreng van trustvermogen in het jaar 2000 heeft gemaakt met de Belastingdienst. Die afspraken hielden met name in dat de Trust werd aangemerkt als een zogenoemde ‘irrevocable fixed trust’ met als doelstelling het in stand houden en het aanwenden van het vermogen ten gunste van belanghebbende en dat het door de vader van belanghebbende ingebrachte trustvermogen vanaf het moment van inbreng, zowel voor de toepassing van de regels omtrent de rechten van schenking, successie en overgang als ook voor alle andere Nederlandse belastingen, zou worden behandeld als vermogen van belanghebbende. Aldus is van belanghebbende terzake van de inbreng van trustvermogen (het thans teruggevraagde) schenkingsrecht geheven naar de tarieven geldend tussen ouders en kinderen. De A-G meent dat de invoering van de Wet van 17 december 2009 in principe met zich meebrengt dat opnieuw onder die nieuwe wetgeving beoordeeld moeten worden wat de fiscale positie is van deze Trust, zonder binding aan de eerdere vaststellingsovereenkomst. Materieel beoordeelt de A-G deze Trust als volgt. In artikel 2.14a, lid 2, van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder een APV wordt verstaan ‘een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen: (…) b. een economische deelgerechtigdheid is ontstaan’. Bij Memorie van Toelichting is over de in b genoemde uitzonderingssituatie opgemerkt dat ‘omdat bij toe- of uittreding van een inbrenger of begunstigde een geldelijke tegenprestatie (economische deelgerechtigdheid) wordt verstrekt, (…) een dergelijk afgezonderd vermogen niet in beeld [komt]’. Voorts heeft de wetgever in de Nota naar aanleiding van het Verslag opgemerkt dat: ‘van een economische deelgerechtigheid (…) slechts sprake [is] in relatie tot hybride samenwerkingsverbanden zoals personenvennootschappen’ en dat ‘richting APV’s (…) de economische deelgerechtigheid [juist ontbreekt]’. Volgens de A-G wordt kennelijk (ook) niet toegekomen aan een APV als hier bedoeld als bij de instelling van de Trust aan een begunstigde (niet alleen aan een inbrenger) een geldelijke tegenprestatie of economische (deel)gerechtigdheid wordt verstrekt. Dit laatste doet zich echter, naar de A-G meent, voor ten aanzien van belanghebbende. De onderhavige Trust is in het licht van de trustakte en de overige omstandigheden zijns inziens niet aan te merken als een discretionary trust. De rechten uit deze family trust komen volgens de A-G toe aan belanghebbende of eventueel aan haar erfgenamen. Een en ander betekent naar zijn mening dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel XA, lid 1, onderdeel a, van de Wet van 17 december 2009. Belanghebbende heeft volgens de A-G dan ook geen recht op vermindering van het van haar geheven schenkingsrecht. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken