Conclusie A-G IJzerman 21 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1233

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de grootouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair vermogen, zodat een schenking door de Stiftung uit dat vermogen aan de kleinkinderen, moet worden aangemerkt als een fictieve schenking door de ouders, ingevolge artikel 17 van de SW 1956. Het gaat om een beroep in cassatie van [X1] c.s. tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 september 2021, nr. 20/01042, inzake de aan belanghebbende opgelegde aanslag schenkbelasting over het jaar 2014. Aan belanghebbende is een aanslag schenkbelasting over het jaar 2014 opgelegd naar een belaste verkrijging van € 627.008 uit een Liechtensteinse Stiftung. Deze aanslag is op grond van artikel 17 van de SW 1956 opgelegd wegens verkrijging uit het in de Stiftung aanwezige afgezonderd particulier vermogen. Dit was al op grond van artikel 16 van de SW 1956 toegerekend aan de erfgenamen (de ouders) van de instellers van de Stiftung (de grootouders). De grootouders van belanghebbende waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben in 1994 een Stiftung opgericht en daarin een kapitaal ingebracht. In de statuten van de Stiftung is opgenomen dat de ‘founder’ van de Stiftung bij oprichting de potentiële begunstigden bepaalt en de potentiële verkrijging kan vaststellen. Daarnaast is bepaald dat de begunstigden geen afdwingbare rechten hebben jegens het vermogen van de Stiftung. In de zogenoemde 'By-Statutes’ van de Stiftung, behorende bij de statuten, is een nadere specificatie opgenomen van de Class of Beneficiaries van de Stiftung. Deze bestaan respectievelijk uit de afstammelingen van de grootouders, protestantse instituties en entiteiten waarvan potentiële beneficiaries begunstigden zijn. De grootouders van belanghebbende hebben bij de oprichting een ‘Letter of Wishes’ ondertekend, waarin zij aan het bestuur van de Stiftung hun visie geven op de besteding van het vermogen. Zij adviseren om het afgezonderde vermogen voor - in beginsel - gelijke delen aan hun kleinkinderen, waaronder belanghebbende, toe te wijzen. Aan het bestuur wordt de vrijheid gegeven af te wijken van hun wensen. Het huwelijk van de grootouders is door het overlijden van de grootvader ontbonden op […] 1995. De moeder is overleden op […] 2011. Op 24 december 2014 bedroeg het vermogen van de Stiftung € 4.116.119. Per die datum zijn bedragen overgemaakt naar de bankrekeningen van de kleinkinderen, waaronder belanghebbende. De Inspecteur heeft ter zake aan elk van de kleinkinderen aanslagen schenkbelasting opgelegd op grond van artikel van de 17 SW 1956. Het geschil spitst zich toe op de kwestie of sprake is van discretionair vermogen, zoals de Inspecteur stelt. Het discretionaire (deel van het) vermogen wordt toegerekend aan de persoon die vermogen heeft afgezonderd of, na diens overlijden, aan zijn erfgenamen. Voor zover het afgezonderd particulier vermogen non-discretionair is, wordt dat toegerekend aan de non-discretionair aangewezen gerechtigden, in plaats van aan de inbrenger of diens erfgenamen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van non-discretionair vermogen omdat het voor alle bij de inbreng betrokken partijen van meet af aan duidelijk was dat het vermogen van de Stiftung bestemd was om te worden uitgekeerd aan de kleinkinderen. Volgens belanghebbende moet gelet op alle feiten en omstandigheden het vermogen van de Stiftung reeds op grond van de reguliere wetssystematiek aan de kleinkinderen worden toegerekend, vanaf de oprichting van de Stiftung in 1994. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld door te oordelen dat sprake is van discretionair vermogen. Tegen dat oordeel is het cassatiemiddel van belanghebbende gericht. Inleidend merkt de A-G op dat de sinds 1 januari 2010 geldende APV-regeling gericht is tegen wat bekend was geworden als het ontstaan van ‘zwevend vermogen’. Daarbij wordt in een trust, Stiftung of vergelijkbare rechtsfiguur door de inbrenger vermogen ondergebracht. Dat vermogen maakt daardoor geen deel meer uit van het vermogen van de inbrenger. Het vermogen wordt binnen de trustverhouding beheerd door een beheerder (trustee, bestuur), met het oog op toekomstige uitkeringen aan begunstigden (beneficiaries). De ontwijkingstechniek waar het om ging was om ervoor te zorgen dat de begunstigden niet meer hebben dan verwachtingen met betrekking tot het afgezonderde vermogen, dus (nog) niets kunnen afdwingen. Zij zijn in afwachting van de manier waarop de beheerder gebruik zal maken van zijn discretionaire bevoegdheden. Tot dan kon het vermogen niet in de belastingheffing worden betrokken; noch bij de inbrenger, noch bij de beheerder, noch bij toekomstige begunstigden als veelal door de inbrenger genoemd in een aan de beheerder verstrekte ‘letter of wishes’. De onderhavige trustfiguur, zijnde een Liechtensteinse Stiftung, is opgericht in 1994, dus ruim voor de invoering van het APV-regime. Dat kan volgens de A-G het vermoeden wekken dat bij oprichting is gemikt op een discretionaire rechtsfiguur, juist om te werken richting zwevend vermogen. In dat kader wijst de A-G op de volgende omstandigheden. Bepaald is dat de grootouders van belanghebbende ingeval van donaties van hen aan de Stiftung alle zeggenschap over de geschonken gelden verliezen, dat het bestuur van de Stiftung naar eigen inzicht over het vermogen zal beschikken en dat de erfgenamen van de ouders rechtens geen enkele aanspraak kunnen doen gelden ten opzichte van de Stiftung. Als (mogelijke, toekomstige) begunstigden zijn met name genoemd afstammelingen van de grootouders van belanghebbende. Bepaald is dat de begunstigden geen afdwingbare rechten hebben jegens het vermogen van de Stiftung. De grootouders van belanghebbende hebben bij de oprichting een ‘Letter of Wishes’ ondertekend, waarin zij aan het bestuur van de Stiftung hun visie geven op de besteding van het vermogen. Zij adviseren om het afgezonderde vermogen voor - in beginsel - gelijke delen aan hun kleinkinderen toe te wijzen. Aan het bestuur wordt de vrijheid gegeven af te wijken van hun wensen. Voorts wordt in de brief namens het bestuur van de Stiftung waarin schenkingen aan de kleinkinderen worden aangekondigd, vermeld dat de stichtingsraad te zijner tijd autonoom en onafhankelijk diende te beslissen wanneer welk bedrag aan wie besteed zou worden. Een en ander betekent volgens de A-G dat ’s Hofs oordeel dat het in de Stiftung ondergebrachte vermogen is aan te merken als discretionair, overeind blijft. Dus is het niet zo dat het afgezonderde vermogen in 1994 moet worden toegerekend aan de kleinkinderen. Aldus faalt het middel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken