Conclusie A-G IJzerman 21 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1234
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de ouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair vermogen, zodat dit na overlijden van de moeder moet worden toegerekend aan belanghebbende, als erfgenaam, op grond van artikel 16 van de SW 1956. Kon enig ontbreken van bestuursbevoegdheid bij de moeder in de weg staan aan haar inbreng in de Stiftung? Het gaat om een beroep in cassatie van [X1] c.s. tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 september 2021, nr. 20/01036, inzake de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag erfbelasting over het jaar 2011. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag erfbelasting over het jaar 2011 opgelegd naar een belaste verkrijging van € 1.220.992. Deze navorderingsaanslag is op grond van artikel 16 van de SW 1956 opgelegd wegens verkrijging van afgezonderd vermogen dat tot de nalatenschap van de moeder van belanghebbende wordt gerekend. De ouders van belanghebbende waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben in 1994 een Liechtensteinse Stiftung opgericht en daarin een kapitaal ingebracht. In de statuten van de Stiftung is opgenomen dat de ‘founder’ van de Stiftung bij oprichting de potentiële begunstigden bepaalt en de potentiële verkrijging kan vaststellen. Daarnaast is bepaald dat de begunstigden geen afdwingbare rechten hebben jegens het vermogen van de Stiftung. In de zogenoemde 'By-Statutes’ van de Stiftung, behorende bij de statuten, is een nadere specificatie opgenomen van de Class of Beneficiaries van de Stiftung. Deze bestaan respectievelijk uit de afstammelingen van de ouders, protestantse instituties en entiteiten waarvan potentiële beneficiaries begunstigden zijn. De ouders van belanghebbende hebben bij de oprichting een ‘Letter of Wishes’ ondertekend, waarin zij aan het bestuur van de Stiftung hun visie geven op de besteding van het vermogen. Zij adviseren om het afgezonderde vermogen voor - in beginsel - gelijke delen aan hun kleinkinderen toe te wijzen. Aan het bestuur wordt de vrijheid gegeven af te wijken van hun wensen. Het huwelijk van de ouders is door het overlijden van de vader ontbonden op […] 1995. Hij heeft bij testament zijn kinderen tot enige erfgenamen benoemd. De moeder is overleden op […] 2011 en heeft eveneens de kinderen tot erfgenaam benoemd. Ter zake heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag erfbelasting over het jaar 2011 opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de kwestie of sprake is van discretionair vermogen, zoals de Inspecteur stelt. Het discretionaire (deel van het) vermogen wordt toegerekend aan de persoon die vermogen heeft afgezonderd of, na diens overlijden, aan zijn erfgenamen. Voor zover het afgezonderd particulier vermogen non-discretionair is, wordt dat toegerekend aan de non-discretionair aangewezen gerechtigden, in plaats van aan de inbrenger of diens erfgenamen. Indien de Inspecteur wordt gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van discretionair ingebracht vermogen, is vervolgens nog in geschil of de moeder van belanghebbende is aan te merken als inbrenger van de helft van het afgezonderde vermogen in de Stiftung. De moeder is overleden in 2011. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag erfbelasting over het jaar 2011 opgelegd wegens verkrijging uit de nalatenschap van de moeder van belanghebbende. Dat veronderstelt dat de moeder in een eerder stadium de helft van het afgezonderde vermogen heeft ingebracht in de Stiftung. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van non-discretionair vermogen omdat het voor alle bij de inbreng betrokken partijen van meet af aan duidelijk was dat het vermogen van de Stiftung bestemd was om te worden uitgekeerd aan de kleinkinderen. Volgens belanghebbende moet gelet op alle feiten en omstandigheden het vermogen van de Stiftung reeds op grond van de reguliere wetssystematiek aan de kleinkinderen worden toegerekend. Het Hof is ten eerste gekomen tot het oordeel dat sprake is van discretionair vermogen. Het Hof acht weliswaar aannemelijk dat het vermogen van de Stiftung bestemd was voor de kleinkinderen, maar dit is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van non-discretionair vermogen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2021 oordeelt het Hof dat voor non-discretionair vermogen sprake moet zijn van concrete juridische afdwingbare rechten van de begunstigden. Dat hier in het onderhavige geval geen sprake van is, blijkt uit de voor het Hof bekende feiten en omstandigheden. De Inspecteur kan derhalve op grond van artikel 16, lid 1, van de SW 1956 erfbelasting heffen. Ten tweede is het Hof van oordeel dat de moeder is aan te merken als (mede-)inbrenger van het vermogen van de Stiftung. Uit de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de medeondertekening van de stukken door de moeder, heeft het Hof afgeleid dat de ouders gezamenlijk de vermogensbestanddelen hebben geschonken aan de Stiftung. Aldus is sprake van bijkomende feiten en omstandigheden die meebrengen dat de moeder wel partij was bij de inbreng van het vermogen in de Stiftung. Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard. In cassatie komt belanghebbende, onder aanvoering van twee middelen, op tegen die oordelen van het Hof. Over het door belanghebbende gestelde ontbreken van bestuursbevoegdheid van de moeder bij haar inbreng in de Stiftung, merkt de A-G op dat zowel de vader als de moeder van belanghebbende de op de oprichting van de Stiftung en de afzondering van het vermogen betrekking hebbende stukken hebben ondertekend. Het lijkt de A-G dat door de medeondertekening zowel de vader als de moeder partij zijn geweest bij de gehele inbreng van het in de gemeenschap van goederen vallende vermogen in de Stiftung. Daarop was hun gemene wil gericht. Daarvan uitgaande kan zijns inziens niet worden toegekomen aan overschrijding van de bestuursbevoegdheid van de ene echtgenoot (de moeder) ten opzichte van de andere echtgenoot (de vader) omdat er geen sprake is van individueel overeenkomen (van de kant van de moeder) maar van gemeenschappelijk overeenkomen (door beiden ten opzichte van de Stiftung). Ook ziet de A-G onder deze omstandigheden niet in dat bij de vader de wens zou hebben bestaan jegens de moeder een beroep te doen op overschrijding van bestuursbevoegdheid. Ook zo bezien kan zijns inziens achteraf niet meer worden toegekomen aan enig beroep op overschrijding van bestuursbevoegdheid door de moeder. De A-G meent overigens dat de door het Hof gegeven uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen moet worden aangemerkt als feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat de middelen daarop afstuiten en het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 SW
- Artikel 16 SW
- Artikel 17 SW
- Artikel 17a SW
- Artikel 26 SW
- Artikel 26a SW
- Artikel 1:88 BW1
- Artikel 1:89 BW1
- Artikel 1:90 BW1
- Artikel 1:94 BW1
- Artikel 1:97 BW1
- Artikel 3:33 BW3
- Artikel 3:84 BW3
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 2.14 Wet IB 2001
- Artikel 2.14a Wet IB 2001
- Artikel 2.17 Wet IB 2001
- Artikel 3.92 Wet IB 2001
- Artikel 3.111 Wet IB 2001
- Artikel 4.6 Wet IB 2001
Aangehaalde uitspraken
- HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1559
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6512
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9196
- HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367
- HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376
- Rb. Noord-Nederland 19 november 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3983
- Rb. Gelderland 12 oktober 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5411
- Rb. Zeeland-West-Brabant 30 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:404
- HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:849
- Conclusie A-G IJzerman 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1860
- HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5651
- HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BH9198
- HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2004
- HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0937
- HR, ECLI:NL:HR:2012:BU6561