Art. 126h Sv, Infiltratie
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
3. Het bevel tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. een omschrijving van de groep van personen;
c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, voor zover bij het geven van het bevel te voorzien, en
e. de geldigheidsduur van het bevel.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de eisen van bekwaamheid waaraan de opsporingsambtenaar moet voldoen. Voorts worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend.
5. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 126g, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verlenging van een bevel tot infiltratie niet mondeling kan plaatsvinden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365
- HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982
- HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1983
- HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195
- HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155
- HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471
- Conclusie A-G Wattel 28 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:521
- Conclusie A-G Wortel 14 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8295
- HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:814
- Conclusie A-G Knigge 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:878
- Conclusie A-G Machielse 16 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2936
- Hof 's-Gravenhage 19 juli 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1951
- HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:178
- Conclusie A-G Paridaens 15 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:706
- Conclusie A-G Keulen 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1181
- Hof 's-Gravenhage 12 april 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AE4747
- Conclusie A-G Paridaens 15 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:705
- Conclusie A-G Keulen 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1180
- Conclusie A-G Bleichrodt 18 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:648
- Hof 's-Hertogenbosch 10 april 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0780