HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:814

Medeplegen voorbereiding moord (art. 289 Sr) en voorbereiding van opzettelijke brandstichting en/of ontploffing teweegbrengen begaan met terroristisch oogmerk (art. 157 jo. art. 176a Sr), deelneming aan terroristische organisatie (art. 140a.1 Sr), medeplegen voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven (art. 134a Sr) en poging tot doodslag, meermalen gepleegd (art. 287 jo. art. 45 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg van poging tot doodslag. 1. Tallon-criterium, verbod op uitlokking. Heeft hof toereikend gerespondeerd op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte door AIVD-agenten, die in contact stonden met mededader, is gebracht tot begaan van strafbare feiten die hij zonder optreden van die agenten niet zou hebben begaan en voldoet beoordeling van standpunt aan eisen die voortvloeien uit art. 6 EVRM? 2. Bewijsklacht deelneming aan terroristische organisatie. Blijkt uit bewijsmiddelen dat oogmerk van organisatie “slechts gericht was op 1 feitelijk gebeuren” (dat gepaard ging met meerdere misdrijven)? 3. Bewijsklacht poging tot doodslag. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. alternatief scenario, art. 359.2 Sv.4. Poging, “begin van uitvoering” a.b.i. art. 45.1 Sr. Is sprake van begin van uitvoering van poging tot doodslag? Ad 1. O.g.v. art. 41.5 Wiv 2017 mag natuurlijk persoon bij uitvoering van instructie a.b.i. art. 41.1 Wiv 2017 (andere) persoon niet tot andere strafbare feiten brengen dan waarop opzet van (andere) persoon al tevoren was gericht. Voorschrift strekt mede tot bescherming van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. HR herhaalt relevante overwegingen uit rechtspraak EHRM m.b.t. vraag wanneer bijzondere opsporingsmethoden in strijd zijn met recht op eerlijk proces en rechterlijke toetsing i.g.v. beroep door verdediging op instigatieverbod. Hof heeft geoordeeld dat, hoewel verslaglegging van optreden van AIVD niet volledig is te controleren, verdediging in gelegenheid is geweest basis van onderzoek (ambtsbericht) en veronderstelde inzet van AIVD tijdens parallel onderzoek in zekere mate te toetsen en dat daarbij geen onregelmatigheden zijn gebleken. Verder heeft hof geoordeeld dat uit e-mails tussen mededader en veronderstelde AIVD-agenten niet blijkt dat mededader door hen tot voornemen tot plegen van aanslag is gebracht. In dat oordeel ligt besloten dat veronderstelde AIVD-agenten in hun contacten met mededader “essentially passive” zijn gebleven en dat mededader niet door hen “was subjected to pressure to commit the offence”. Daarbij heeft hof ten overvloede overwogen dat mededader ttz. in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak is gevraagd om stelling dat hij onder druk is gezet en is gehersenspoeld toe te lichten en dat mededader toen beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan, en dat verklaring die mededader ttz. in hoger beroep als getuige over e-mails heeft afgelegd “niet concreet” is geworden. O.g.v. dit alles heeft hof geoordeeld dat niet is gebleken dat art. 41.5 Wiv 2017 jegens mededader is geschonden en dat gebruik voor bewijs tegen verdachte van communicatie tussen mededader en politie-infiltrant en directe resultaten daarvan niet in strijd is met recht van verdachte op eerlijk proces. Dat oordeel getuigt (mede gelet op rechtspraak van EHRM) niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hof heeft ook in voldoende mate redenen opgegeven die tot afwijking van uos hebben geleid. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:969 m.b.t. ‘deelneming’ aan organisatie a.b.i. art. 140 en 140a Sr. Opvatting dat van “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft plegen van terroristische misdrijven” a.b.i. art. 140a Sr pas sprake kan zijn als organisatie oogmerk had “om gedurende enige tijd” meerdere terroristische misdrijven te plegen, vindt in haar algemeenheid geen steun in recht. ‘s Hofs oordeel dat oogmerk van organisatie waaraan verdachte deelnam, gericht was op plegen van de in bewezenverklaring genoemde terroristische misdrijven is ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in zijn arrest geen overweging gewijd aan ‘alternatief scenario’. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft hof geoordeeld dat door verdachte aangevoerd scenario zijn weerlegging vindt in b.m.. Daaruit blijkt dat verdachte tot 3 keer toe beweging maakt waarbij het lijkt dat hij vuurwapen doorlaadt. Hof heeft in bewijsoverwegingen uitgebreid weergegeven waar het uit afleidt dat verdachte op moment dat hij richtte op meerdere leden van DSI trekker van wapen daadwerkelijk heeft overgehaald. Hof spreekt daarbij over 3 gevonden patronen. Aan verdachte is tijdens onderzoek ttz. eerst voorgehouden dat hij trekker paar keer naar achteren heeft getrokken en dat hem daarna nog eens expliciet is voorgehouden dat hij voor ‘suicide by cops’ niet hoeft door te laden, zonder dat verdachte daarna verklaring heeft gegeven die deze feiten verenigbaar maken met alternatief scenario en dat uit p-v van tz. in e.a. niet blijkt dat (alternatief) scenario van ‘suicide by cops’ daar door verdachte is aangevoerd en dat in pleitnota die in h.b. is overgelegd ook niet op dat scenario is ingegaan. Die omstandigheden maken het te meer begrijpelijk dat hof bespreking van dit scenario achterwege heeft gelaten. Ad 4. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:479 m.b.t. vereisten voor strafbare poging. Hof heeft vastgesteld dat verdachte en zijn mededaders in vakantiehuisje van 2 politie-infiltranten training hebben gekregen in gebruik van vooraf door politie onklaar gemaakte Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. Verdachten vroegen aan politie-infiltranten of zij wapens in hun onmiddellijke nabijheid mochten houden om zich te kunnen verdedigen als politie kwam. Vervolgens heeft verdachte zo’n vuurwapen in zijn buiktasje gestoken, is hij met zijn mededaders achterin bestelbusje gestapt en heeft hij over vuurwapens gezegd: “Ik durf nu te garanderen, ze doen het”. Toen leden van Dienst Speciale Interventies van politie de bestelbus openden om verdachte aan te houden, richtte hij vuurwapen op hen. Dat wapen was bestemd “om projectielen door een loop af te schieten”. Vuurwapen was echter door politie technisch aangepast zodat het niet mogelijk was scherpe patronen af te schieten. Deze technische aanpassing was met het blote oog niet waarneembaar. Na inbeslagneming van dit gespannen wapen onder verdachte heeft politie vastgesteld dat er gevuld patroonmagazijn in aanwezig was en dat patroon in kamer zat. Verdachte had vuurwapen doorgeladen toen busje waarin hij zat stopte, maar wapen deed het niet toen hij trekker overhaalde op moment dat hij werd geconfronteerd met DSI. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van doodslag en dat van ‘absoluut ondeugdelijke poging’ geen sprake is, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat hof heeft overwogen dat verdachte (die veronderstelde dat wapen functioneerde) in tijdsbestek van 7 à 8 seconden 3 maal trekker heeft overgehaald en daarbij wapen gericht hield op één of meer leden van DSI en dat verdachte daartoe 3 maal “storingsreactie” heeft uitgevoerd om eventueel storend patroon uit te werpen, waardoor wapen opnieuw doorgeladen werd. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02266 en 22/02193.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken