HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:178

Onderzoek Vidar. Eendaadse samenloop van medeplegen bereiden en aanwezig hebben van speed (art. 2.B en 2.C Opiumwet), medeplegen witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. HR wijdt algemene beschouwingen aan inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ ten behoeve van opsporing. 2. Biedt art. 126w Sr wettelijke grondslag voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’? 3. Verweer dat resultaten van inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ van bewijs moeten worden uitgesloten o.g.v. art. 359a Sv. Ad 1. Tekst van art. 126w Sv stelt niet beperking dat het OvJ niet zou zijn toegestaan om toepassing te geven aan deze bevoegdheid t.a.v. ‘criminele burgerinfiltrant’. Voor toepassing van deze bepaling is uitsluitend van belang dat het gaat om persoon die geen opsporingsambtenaar is. Wat betreft moties (in wetsgeschiedenis van art. 126w Sv) is daarbij van belang dat deze (meerderheids)opvatting van Tweede Kamer op 2 verschillende momenten in tijd tot uitdrukking brengen over vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden door politie en OM toepassing zou mogen worden gegeven aan bevoegdheid die art. 126w Sv biedt om burgerinfiltrant in te zetten. Samenstel van deze moties brengt niet met zich dat, wat betreft toepassing van art. 126w Sv in periode waarin ‘criminele burgerinfiltrant’ is ingezet (2019 en 2020), wettelijke grondslag (in weerwil van tekst van art. 126w Sv) ontbrak. Wel komt in parlementaire stukken naar voren dat heel terughoudend moet worden omgegaan met inzet van ‘criminele burgerinfiltranten’ en dat die inzet dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en met inachtneming van strikte waarborgen kan plaatsvinden. Tot die waarborgen worden in wetsgeschiedenis gerekend eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook Aanwijzing opsporingsbevoegdheden houdt in dat inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag plaatsvinden, waarbij voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl inzet “kortdurend” moet zijn en geen gebruik mag worden gemaakt van “groei-infiltranten”. Verder houdt Aanwijzing in dat OvJ pas toepassing kan geven aan bevoegdheid tot inzetten van burgerinfiltrant nadat voornemen daartoe door hoofd OvJ van betrokken parket via centrale toetsingscommissie van OM ter goedkeuring aan college van PG’s is voorgelegd en dat college met dat voornemen heeft ingestemd. Vervolgens moet college van PG’s de minister op de hoogte stellen van voornemen om burgerinfiltrant in te zetten en is toestemming van minister vereist voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’. Voor beoordeling door rechter van rechtmatigheid van inzet van (‘criminele’) burgerinfiltrant en van betrouwbaarheid van resultaten van die inzet, is van groot belang dat rechter inzicht verkrijgt in concreet verloop van uitvoering van deze opsporingsmethode en in contacten en interactie tussen (‘criminele’) burgerinfiltrant en verdachte(n) die daarbij hebben plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van eisen die in wet en in Aanwijzing zijn gesteld aan deze opsporingsmethode, en van de in art. 152 Sv bedoelde verplichting van opsporingsambtenaar tot opmaken van p-v en in art. 126aa en 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging moet inzicht geven in verloop van uitvoering van opsporingsmethode over gehele periode waarin deze is ingezet, en i.h.b. voldoende nauwkeurige weergave van interactie tussen (‘criminele’) burgerinfiltrant en verdachte omvatten (vgl. HR:2019:1982). Ad 2. Opvatting dat voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ toereikende wettelijke grondslag ontbreekt en dat i.h.b. art. 126w Sv niet zo’n grondslag biedt, is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Ad 3. Opvatting dat rechter bij beoordeling van inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ niet alleen moet nagaan of is voldaan aan eisen die door wet (art. 126w Sv) en Aanwijzing aan die inzet worden gesteld, maar ook of is voldaan aan (aanvullende) eisen zoals deze tot uitdrukking komen in motie (in wetsgeschiedenis van art. 126w Sv), vindt geen steun in recht. Hof heeft onderzocht of bij inzet van A-4110 als ‘criminele burgerinfiltrant’ is voldaan aan voorwaarden die art. 126w Sv aan die inzet stelt. Daarbij heeft hof i.h.b. acht geslagen op eisen van proportionaliteit en subsidiariteit maar ook op manier waarop verslaglegging van die inzet heeft plaatsgevonden. Verder heeft hof onderzocht of college van PG’s tijdig heeft ingestemd met overeenkomst tot burgerinfiltratie en verlengingen en wijzigingen ervan, en of minister tijdig op de hoogte is gesteld van beslissing van OM tot inzetten van ‘criminele burgerinfiltrant’. Verder is hof nagegaan of bij inzet van A-4110 als ‘criminele burgerinfiltrant’ voorwaarden uit Aanwijzing zijn nageleefd. Hof heeft geoordeeld dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan t.a.v. moment waarop door college van PG’s instemming is verleend met overeenkomst tot burgerinfiltratie, moment waarop college van PG’s de minister op de hoogte heeft gebracht van beslissing tot inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’, en i.v.m. de in Aanwijzing gestelde voorwaarden dat inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ kortdurend moet zijn en dat er geen gebruik wordt gemaakt van ‘groei-infiltranten’. T.a.v. deze laatste vormverzuimen heeft hof overwogen dat geen sprake is geweest van “een kortstondig traject en eenmalige inzet”. Hof heeft uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat en waarom aan geconstateerde vormverzuimen geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat hof heeft vastgesteld dat rol van A-4110 beperkt bleef tot bijrol. Verder is van belang dat hof o.m. in beschouwing heeft betrokken dat t.a.v. “verbod op criminele groei-infiltranten” verdachte niet in zijn verdediging is geschaad en dat met manier waarop A-4110 is ingezet als ‘criminele burgerinfiltrant’ geen afbreuk is gedaan aan integriteit en beheersbaarheid van opsporing. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken