Art. 32 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Aanwijzing van gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen
Verordening (EU) nr. 1305/2013
1. De lidstaten wijzen op basis van de leden 2, 3 en 4 de gebieden aan die in aanmerking komen voor in artikel 31 bedoelde betalingen en delen deze in de volgende categorieën:
a) berggebieden;
b) andere dan berggebieden die worden geconfronteerd met ernstige natuurlijke beperkingen; en
c) andere gebieden met specifieke beperkingen.
2. Om voor in artikel 31 bedoelde betalingen in aanmerking te komen, moeten de berggebieden worden gekenmerkt door in aanzienlijke mate beperkte mogelijkheden voor grondgebruik en merkbaar hogere productiekosten als gevolg van:
a) zeer ongunstige klimatologische omstandigheden ten gevolge van de hoogteligging, waardoor de groeiperiode er aanzienlijk korter is;
b) op geringere hoogte, de aanwezigheid van steile hellingen over het grootste deel van de betrokken oppervlakte waardoor geen machines kunnen worden gebruikt of het gebruik van zeer duur speciaal materieel vereist is, dan wel een combinatie van deze twee factoren als elke factor afzonderlijk een minder grote handicap tot gevolg heeft, maar de combinatie van de twee tot een handicap van vergelijkbare omvang leidt.
Gebieden ten noorden van 62° NB en sommige aangrenzende gebieden worden als berggebieden beschouwd.
3. Om voor in artikel 31 bedoelde betalingen in aanmerking te komen, worden andere dan berggebieden beschouwd als gebieden die met ernstige natuurlijke beperkingen worden geconfronteerd, indien ten minste 60 % van het landbouwareaal voldoet aan ten minste één van de in bijlage III opgenomen criteria en de daar aangegeven bijbehorende drempelwaarde.
De naleving van die voorwaarden wordt gegarandeerd op het niveau van de lokale bestuurlijke eenheden ("LBE-2"-niveau) of op het niveau van een duidelijk afgebakende plaatselijke unit die één duidelijk aaneengesloten geografisch gebied met een definieerbare economische en bestuurlijke identiteit bestrijkt.
Bij de afbakening van de onder dit lid vallende gebieden passen de lidstaten een extra, op objectieve criteria gebaseerde selectie toe om gebieden uit te sluiten die met aanzienlijke ernstige natuurlijke beperkingen zoals bedoeld in de eerste alinea zijn geconfronteerd, maar die deze dankzij investeringen of economische bedrijvigheid of aantoonbare normale productiviteit van de grond te boven zijn gekomen, of waarin de productiemethoden of landbouwsystemen de in artikel 31, lid 1, bedoelde gederfde inkomsten of extra kosten hebben gecompenseerd.
4. Andere dan in de leden 2 en 3 bedoelde gebieden komen in aanmerking voor de in artikel 31 bedoelde betalingen indien zij worden geconfronteerd met specifieke beperkingen en de voortzetting van landbeheer er noodzakelijk is voor milieubehoud of -verbetering, instandhouding van het platteland, handhaving van de toeristische mogelijkheden of kustbescherming.
Gebieden met specifieke beperkingen omvatten landbouwgebieden met soortgelijke natuurlijke productieomstandigheden en waarvan de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 % van de oppervlakte van de betrokken lidstaat.
Daarnaast kunnen gebieden ook in aanmerking komen voor betalingen uit hoofde van dit lid, wanneer:
— ten minste 60 % van het landbouwareaal voldoet aan ten minste twee van de in bijlage III opgenomen criteria, elk binnen een marge van ten hoogste 20 % van de daar aangegeven drempelwaarde, of
— ten minste 60 % van het landbouwareaal bestaat uit gebieden die voldoen aan ten minste één van de in bijlage III opgenomen criteria en de daar aangegeven bijbehorende drempelwaarde, en gebieden die voldoen aan ten minste twee van de in bijlage III opgenomen criteria, elk binnen een marge van ten hoogste 20 % van de daar aangegeven bijbehorende drempelwaarde.
De naleving van deze voorwaarden wordt gegarandeerd op LBE-2-niveau of op het niveau van een duidelijk afgebakende plaatselijke eenheid die één duidelijk aaneengesloten geografisch gebied met een definieerbare economische en bestuurlijke identiteit bestrijkt. Bij de afbakening van de onder deze alinea vallende gebieden passen de lidstaten een selectie toe als beschreven in artikel 32, lid 3. Voor de berekening van de in de tweede alinea bedoelde limiet van 10 % wordt rekening gehouden met gebieden die overeenkomstig deze alinea worden geacht voor steun in aanmerking te komen.
Bij wijze van afwijking geldt de eerste alinea niet voor lidstaten waarvan het volledige grondgebied uit hoofde van Verordeningen (EG) nr. 1698/2005 en (EG) nr. 1257/1999 als gebied met specifieke beperkingen wordt beschouwd.
5. De lidstaten vermelden in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's:
a) de bestaande of gewijzigde afbakening zoals bedoeld in de leden 2 en 4;
b) de nieuwe afbakening van de gebieden zoals bedoeld in lid 3.