Art. 35 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Samenwerking

Verordening (EU) nr. 1305/2013

1. In het kader van deze maatregel wordt steun verleend ter bevordering van samenwerkingsvormen waarbij ten minste twee organisaties betrokken zijn, met name voor:

a) samenwerkingsvormen tussen verschillende actoren in de landbouw- en bossectoren van de Unie en over de gehele voedselketen, en andere actoren die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen en prioriteiten van het plattelandsontwikkelingsbeleid, waaronder producentengroeperingen, coöperaties en brancheorganisaties;

b) de oprichting van clusters en netwerken;

c) de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, zoals bedoeld in artikel 56.

2. De in lid 1 bedoelde samenwerking heeft in het bijzonder betrekking op:

a) proefprojecten;

b) de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector;

c) samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers met als doel gemeenschappelijke werkprocedés te organiseren en voorzieningen en hulpbronnen te delen, alsook om de toeristische diensten rondplattelandstoerisme te ontwikkelen/marketen;

d) horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op de oprichting en de ontwikkeling van korte toeleveringsketens en plaatselijke markten;

e) afzetbevorderingsactiviteiten in een plaatselijke context met betrekking tot de ontwikkeling van korte toeleveringsketens en plaatselijke markten;

f) gezamenlijke actie met het oog op klimaatmitigatie en -adaptatie;

g) gezamenlijke benaderingen van milieuprojecten en geldende milieupraktijken, met inbegrip van efficiënt waterbeheer, gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de instandhouding van het landbouwlandschap;

h) horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen in de duurzame levering van biomassa voor gebruik in voeding en energieproductie en industriële processen;

i) de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 32, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 omschreven groepen van publieke en private partners, van andere dan de in artikel 2, lid 19, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 omschreven strategieën voor plaatselijke ontwikkeling waarin één of meer prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling aan bod komen;

j) het opstellen van bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten;

k) diversificatie van landbouwactiviteiten naar activiteiten in verband met gezondheidszorg, sociale integratie, door de gemeenschap gesteunde landbouw en onderricht over milieu en voedsel.

3. Steun in het kader van lid 1, onder b), kan slechts worden verleend voor pas opgerichte clusters en netwerken en voor netwerken en clusters die een activiteit beginnen die nieuw is voor hen.

Steun voor concrete acties in het kader van lid 2, onder a) en b), kan ook aan individuele actoren worden verleend indien het plattelandsontwikkelingsprogramma in deze mogelijkheid voorziet.

4. De resultaten van proefprojecten in het kader van lid 2, onder a), en concrete acties in het kader van lid 2, onder b), die door individuele actoren worden uitgevoerd als bepaald in lid 3, worden verspreid.

5. De volgende kosten, die verband houden met de in lid 1 bedoelde samenwerkingsvormen, komen in aanmerking voor steun in het kader van deze maatregel:

a) kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten voor het opstellen van een bedrijfsplan, een bosbeheerplan of een gelijkwaardig instrument of van een andere dan de in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1303 /2013 bedoelde plaatselijke ontwikkelingsstrategie;

b) kosten van dynamisering van het betrokken gebied om een collectief territoriaal project haalbaar te maken dan wel een project dat wordt uitgevoerd door een operationele groep van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 62. In het geval van clusters kan dynamisering tevens betrekking hebben op de organisatie van opleidingen, netwerkvorming tussen de leden en de werving van nieuwe leden;

c) de werkingskosten waarmee de samenwerking gepaard gaat;

d) de rechtstreekse kosten van specifieke projecten die verband houden met de uitvoering van een bedrijfsplan, een milieuplan, een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument, een andere dan de in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde strategie voor plaatselijke ontwikkeling of directe kosten van andere op innovatie gerichte acties, waaronder tests;

e) de kosten van afzetbevorderingsactiviteiten.

6. Indien een bedrijfsplan, een milieuplan of een bosbeheerplan of een gelijkwaardig instrument, of een ontwikkelingsstrategie wordt uitgevoerd, kunnen de lidstaten de steun verlenen in de vorm van een forfaitair bedrag dat de kosten van de samenwerking en de kosten van de uitvoering van de projecten dekt, of kunnen zij steun verlenen die slechts de kosten van de samenwerking dekt en dan voor de uitvoering van de projecten gebruik maken van financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van andere maatregelen of andere fondsen van de Unie.

Indien steun als totaalbedrag wordt uitgekeerd en het uitgevoerde project van een type is dat onder een andere maatregel van deze verordening valt, is het toepasselijke maximumbedrag of steunpercentage van toepassing.

7. Samenwerking tussen actoren die in verschillende regio's of lidstaten zijn gevestigd, komt eveneens in aanmerking voor steun.

8. De looptijd van de steun mag niet meer dan zeven jaar bedragen, behalve wanneer in naar behoren gemotiveerde gevallen sprake is van collectieve milieuacties.

9. De samenwerking in het kader van deze maatregel kan worden gecombineerd met projecten in hetzelfde gebied die worden gesteund uit andere Uniefondsen dan het ELFPO. De lidstaten voorkomen overcompensatie door erop toe te zien dat de begunstigden naast de in het kader van deze maatregel verleende steun geen steun op grond van andere nationale steuninstrumenten of steuninstrumenten van de Unie ontvangen.

10. Teneinde ervoor te zorgen dat de begrotingsmiddelen uit het ELFPO efficiënt worden gebruikt, is de Commissie bevoegd om, overeenkomstig artikel 83, gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de verdere specificatie van de kenmerken van proefprojecten, clusters, netwerken, korte toeleveringsketens en plaatselijke markten die in aanmerking komen voor steun, alsmede met betrekking tot de voorwaarden voor de verlening van steun voor de in lid 2 van dit artikel genoemde soorten concrete acties.