Art. 29, Biologische landbouw
1. In het kader van dit artikel wordt steun verleend, per hectare landbouwareaal, aan landbouwers of groepen van landbouwers die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 (25) en die "actieve landbouwer" zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
2. De steun wordt slechts verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, de ter zake relevante criteria en minimumactiviteiten zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. RB/2013, de ter zake relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld. Al deze voorschriften worden in het programma omschreven.
3. De onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien steun wordt verleend voor de omschakeling naar de biologische landbouw, kunnen de lidstaten, in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste periodes vaststellen. Indien steun wordt verleend voor het voorzetten van de biologische landbouw, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode. Voor nieuwe voortzettingsverbintenissen die onmiddellijk op de periode van de eerste verbintenis aansluiten, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's kortere periodes vaststellen.
4. De betalingen worden jaarlijks verleend om de begunstigden geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen. Indien nodig kunnen zij ook transactiekosten tot een waarde van 20 % van de voor de bosmilieuverbintenissen betaalde premie dekken. Indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen van landbouwers, bedraagt dit maximum 30 %.
Bij de berekening van de in de eerste alinea bedoelde betalingen brengen de lidstaten het nodige bedrag in mindering teneinde dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde praktijken uit te sluiten.
5. De steun mag de in bijlage II vastgestelde maximumbedragen niet overschrijden.
6. Om dubbele financiering als bedoeld in lid 4, tweede alinea, uit te sluiten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot vaststelling van de te gebruiken berekeningsmethode.