Art. 31, Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen
1. Aan landbouwers in berggebieden en andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen worden jaarlijks betalingen per hectare landbouwareaal toegekend om hen te vergoeden voor alle of een deel van de extra kosten en gederfde inkomsten die voortvloeien uit de beperkingen waarmee de landbouwproductie in het betrokken gebied wordt geconfronteerd.
Voor de berekening van de extra kosten en de gederfde inkomsten wordt een vergelijking gemaakt met gebieden die niet met natuurlijke of andere specifieke beperkingen worden geconfronteerd en hierbij wordt tevens rekening gehouden met de betalingen op grond van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Bij de berekening van de extra kosten en de gederfde inkomsten kunnen de lidstaten, indien dit gerechtvaardigd is, differentiëren naar het betalingsniveau zodat rekening wordt gehouden met:
— de ernst van de geconstateerde permanente beperking voor landbouwactiviteiten;
— het landbouwsysteem.
2. De betalingen worden toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in de overeenkomstig artikel 32 aangewezen gebieden voort te zetten en zij "actieve landbouwer" zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
3. De betalingen worden vastgesteld op een niveau tussen het minimumbedrag en het maximumbedrag die in bijlage II worden vermeld. In gemotiveerde gevallen mogen deze bedragen worden verhoogd op grond van specifieke omstandigheden die in de programma's voor plattelandsontwikkeling moeten worden aangetoond.
4. Betalingen die een in het programma vast te stellen drempelniveau van de oppervlakte per bedrijf overschrijden, worden door de lidstaten geleidelijk verlaagd, tenzij de betaling alleen betrekking heeft op het in bijlage II vastgestelde minimumbedrag per hectare per jaar.
In het geval van een rechtspersoon, of een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen, kunnen de lidstaten de betalingen van de leden van die rechtspersonen of groepen geleidelijk verlagen, op voorwaarde dat:
a) de individuele leden op grond van het nationale recht, rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met de rechten en verplichtingen van individuele landbouwers met de status van bedrijfshoofd, in het bijzonder met betrekking tot hun economische, sociale en belastingstatus; en
b) die individuele leden tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen hebben bijgedragen.
5. Naast de in lid 2 bedoelde betalingen kunnen de lidstaten in het kader van deze maatregel in de periode 2014-2020 betalingen toekennen aan begunstigden in gebieden die tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 in aanmerking kwamen voor steun op grond van artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005. Voor begunstigden in gebieden die niet langer voor steun in aanmerking komen na de nieuwe afbakening, bedoeld in artikel 32, lid 3, zijn die betalingen degressief over een periode van ten hoogste vier jaar. Deze periode vangt aan op de datum waarop de afbakening overeenkomstig artikel 32, lid 3, is voltooid en uiterlijk in 2018. Die betalingen bedragen bij hun aanvang niet meer dan 80 % van de gemiddelde betaling die overeenkomstig artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in het programma voor de programmeringsperiode 2007-2013 is vastgesteld, en zij bedragen uiteindelijk in 2020 niet meer dan 20 %. Wanneer ingevolge de degressiviteit het betalingsniveau van 25 EUR per hectare per jaar is bereikt, kunnen de lidstaten deze betalingen blijven toekennen totdat de periode van geleidelijke afschaffing is verstreken.
Na de afbakening ontvangen begunstigden in de gebieden die voor steun in aanmerking blijven komen, volledige betalingen in het kader van deze maatregel.