Art. 28, Agromilieu- en klimaatsteun

1. In het kader van deze maatregel geven de lidstaten overeenkomstig hun specifieke nationale, regionale of plaatselijke behoeften en prioriteiten steun op hun hele grondgebied. Deze maatregel is gericht op het behoud en de bevordering van de nodige veranderingen in de landbouwpraktijken die een positieve bijdrage leveren tot het milieu en het klimaat. Opname van deze maatregel in de plattelandsontwikkelingsprogramma's is verplicht op nationaal en/of regionaal niveau.

2. De agromilieu- en klimaatbetalingen worden verleend aan landbouwers, groepen van landbouwers of groepen van landbouwers en andere grondbeheerders die zich er op vrijwillige basis toe verbinden concrete acties uit te voeren die bestaan uit een of meer door de lidstaten te bepalen agromilieu- en klimaatverbintenissen voor landbouwgrond, waaronder, maar niet uitsluitend, het in artikel 2 van deze verordening gedefinieerde landbouwareaal. Agromilieu- en klimaatbetalingen kunnen aan andere grondbeheerders of groepen van andere grondbeheerders worden verleend wanneer dit naar behoren gerechtvaardigd is om milieudoelstellingen te bereiken.

3. De agromilieu- en klimaatbetalingen mogen slechts worden verricht indien de betrokken verbintenissen verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, de relevante criteria en minimumactiviteiten zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante dwingende voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld. Al deze dwingende voorschriften worden in het programma omschreven.

4. De lidstaten spannen zich in om ervoor te zorgen dat personen die zich ertoe verbinden concrete acties in het kader van deze maatregel uit te voeren, worden voorzien van de voor de uitvoering ervan vereiste kennis en informatie. Ze kunnen dit doen door, bijvoorbeeld, deskundigenadvies in verband met de verbintenis beschikbaar te stellen en/of door de steunverlening in het kader van deze maatregel te koppelen aan de eis van relevante opleiding.

5. De onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's echter een langere periode vaststellen voor bepaalde soorten verbintenissen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging ervan na afloop van de eerste periode. Voor nieuwe verbintenissen die onmiddellijk op de periode van de eerste verbintenis aansluiten, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's kortere periodes vaststellen.

6. De betalingen worden jaarlijks verleend en vergoeden de begunstigden geheel of gedeeltelijk voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen. In voorkomend geval kunnen de betalingen ook worden gebruikt ter dekking van transactiekosten ter waarde van maximaal 20 % van de premie die voor de agromilieu- en klimaatverbintenissen wordt betaald. Indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen van landbouwers of groepen van landbouwers en andere grondbeheerders, bedraagt dit maximum 30 %.

Bij de berekening van de in de eerste alinea bedoelde betalingen brengen de lidstaten het nodige bedrag in mindering teneinde dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde praktijken uit te sluiten.

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud steun worden verleend voor verbintenissen die tot doel hebben af te zien van het commercieel gebruik van gebieden, in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid, die berekend wordt op basis van gemaakte extra kosten en gederfde inkomsten.

7. Indien dat vereist is om te zorgen voor de doeltreffende toepassing van de maatregel, kunnen de lidstaten voor de selectie van de begunstigden gebruik maken van de in artikel 49, lid 3, bedoelde procedure.

8. De steun mag de in bijlage II vastgestelde maximumbedragen niet overschrijden.

In het kader van deze maatregel mag geen steun worden verleend voor verbintenissen die onder de maatregel biologische landbouw vallen.

9. Er kan steun voor de instandhouding, het duurzame gebruik en de duurzame ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw worden verleend voor niet onder de leden 1 tot en met 8 vallende concrete acties. Dergelijke activiteitenkunnen worden uitgevoerd door andere dan de in lid 2 genoemde begunstigden.

10. Teneinde ervoor te zorgen dat agromilieu- en klimaatverbintenissen worden omschreven overeenkomstig de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorwaarden voor verbintenissen op het gebied van de extensivering van de veehouderij;

b) de voorwaarden voor verbintenissen op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan en op het gebied van de instandhouding van de plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd; en

c) de omschrijving van de concrete acties die op grond van lid 9 voor steun in aanmerking komen.

11. Om dubbele financiering als bedoeld in lid 6, tweede alinea, uit te sluiten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van de te gebruiken berekeningsmethode, ook in het geval van gelijkwaardige maatregelen overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Uitspraken die dit artikel aanhalen