Art. 8 Richtlijn 2000/76/EG, Afvalwater van rookgasreiniging

Richtlijn 2000/76/EG

1. Afvalwater afkomstig van het reinigen van rookgassen van een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie mag alleen worden geloosd indien daartoe door de bevoegde autoriteiten een vergunning is verleend.

2. Lozingen in het aquatisch milieu van bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater moeten voorzover doenlijk en tenminste overeenkomstig de emissiegrenswaarden van bijlage IV worden beperkt.

3. Mits dit in de vergunning specifiek is bepaald, mag bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater na afzonderlijke behandeling in het aquatisch milieu worden geloosd, op voorwaarde dat:

a) door middel van emissiegrenswaarden aan de eisen van de toepasselijke communautaire, nationale en plaatselijke voorschriften wordt voldaan, en

b) de massaconcentraties van de in bijlage IV genoemde verontreinigende stoffen niet meer bedragen dan de daarin vastgestelde emissiegrenswaarden.

4. De emissiegrenswaarden zijn van toepassing op het punt waar bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater dat de in bijlage IV genoemde verontreinigende stoffen bevat, door de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden geloosd.

Wanneer het afvalwater dat bij de reiniging van rookgassen ontstaat, ter plaatse gezamenlijk met afvalwater uit andere bronnen van de plaats van de installatie wordt gezuiverd, verricht de exploitant de in artikel 11 omschreven metingen:

a) op de afvalwaterstroom van de rookgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

b) op de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

c) op het punt waar het afvalwater na de zuivering uiteindelijk door de verbrandingsinstallatie of de meeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.

Teneinde de naleving van de in bijlage IV genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van rookgasreiniging te controleren, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater.

In geen geval mag afvalwater worden verdund om aan de emissiegrenswaarden van bijlage IV te voldoen.

5. Wanneer het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater dat de in bijlage IV genoemde verontreinigende stoffen bevat, buiten de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiveringsinstallatie die uitsluitend voor de verwijdering van dit type afvalwater is bestemd, moeten de emissiegrenswaarden van bijlage IV worden toegepast op het punt waar het afvalwater de zuiveringsinstallatie verlaat. Indien deze zich op een andere plaats bevindende zuiveringsinstallatie niet uitsluitend is bestemd voor de zuivering van afvalwater dat bij verbranding ontstaat, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen overeenkomstig het bepaalde in lid 4, punten a) tot en met c), hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater is dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van rookgassen ontstane afvalwater, teneinde de naleving van de in bijlage IV genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van rookgasreiniging te controleren.

In geen geval mag afvalwater worden verdund om te voldoen aan de emissiegrenswaarden van bijlage IV.

6. In de vergunning worden:

a) emissiegrenswaarden voor de in bijlage IV bedoelde verontreinigende stoffen vastgesteld overeenkomstig lid 2 en teneinde aan de voorschriften van lid 3, onder a), te voldoen,

b) operationele regelparameters voor afvalwater vastgesteld voor ten minste pH, temperatuur en debiet.

7. De locaties van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke communautaire wetgeving wordt voorkomen. Bovendien moet worden voorzien in opvangcapaciteit voor van het terrein van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wegvloeiend verontreinigd regenwater en voor verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding.

De opvangcapaciteit dient zodanig te zijn, dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig kan worden onderzocht en gezuiverd.

8. Onverminderd de bepalingen van het Verdrag mogen de lidstaten emissiegrenswaarden vaststellen voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen of andere verontreinigende stoffen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen