Art. 10 Richtlijn 2000/76/EG, Controles en bewaking
1. Meetapparatuur wordt geïnstalleerd en technieken worden gebruikt ter bewaking van de parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces.
2. De meetvoorschriften worden opgenomen in de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning of in de aan die vergunning gehechte voorwaarden.
3. Gecontroleerd wordt of de automatische apparatuur voor de bewaking van de emissies in de atmosfeer en het water naar behoren is geïnstalleerd en functioneert; jaarlijks wordt een verificatietest uitgevoerd. Om de drie jaar moet er worden gekalibreerd door middel van parallelmetingen overeenkomstig de referentiemethoden.
4. De ligging van de bemonsterings- of meetpunten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld.
5. De periodieke metingen van de emissies in de atmosfeer en het water worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage III, punten 1 en 2.