Art. 11 Richtlijn 2000/76/EG, Meetvoorschriften

Richtlijn 2000/76/EG

1. De lidstaten zorgen ervoor door het opnemen van specifieke voorwaarden in de vergunning, ofwel door middel van algemene bindende regels, dat voor de lucht aan het bepaalde in de leden 2 tot en met 12 alsmede 17, en voor water aan het bepaalde in de leden 9 en 14 tot en met 17 wordt voldaan.

2. In de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden overeenkomstig bijlage III de volgende metingen van verontreinigende stoffen in de lucht verricht:

a) continumetingen van de volgende stoffen: NOx, mits daarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, CO, totale hoeveelheid stof, TOC, HCl, HF en SO2;

b) continumetingen van de volgende procesparameters: temperatuur dichtbij de binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, temperatuur en waterdampgehalte van het rookgas;

c) ten minste twee metingen per jaar van zware metalen, dioxinen en furanen; gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden een meting te worden verricht. De lidstaten mogen zelf meetfrequenties bepalen voor de door hen vastgestelde emissiegrenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen of andere verontreinigende stoffen.

3. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen worden op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer wanneer de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld alsmede onder de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden.

4. Continumeting van HF mag achterwege blijven, indien voor HCl behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt overschreden. In dit geval worden de emissies van HF periodiek gemeten zoals bepaald in lid 2, onder c).

5. Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig, indien de als monster gebruikte rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.

6. In de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetingen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), worden verricht, indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden.

7. In de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen van tweemaal per jaar verlaagd wordt naar eenmaal per twee jaar en voor dioxinen en furanen van tweemaal per jaar naar eenmaal per jaar, op voorwaarde dat de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding minder dan 50 % bedragen van de overeenkomstig resp. bijlage II of bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden, en dat de volgens de procedure van artikel 17 opgestelde criteria voor de na te leven voorschriften beschikbaar zijn. Deze criteria zijn ten minste gebaseerd op het bepaalde in de tweede alinea, punten a) en d).

Tot 1 januari 2005 kan verlaging van de frequentie ook worden toegestaan als die criteria niet beschikbaar zijn, op voorwaarde dat:

a) het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is en aan bepaalde kenmerken voldoet, en dat nader omschreven wordt op basis van de in punt d) genoemde beoordeling;

b) voor dit afval nationale kwaliteitscriteria beschikbaar zijn waarvan de Commissie in kennis is gesteld;

c) verbranding en meeverbranding van dit afval geschiedt overeenkomstig de in artikel 7 van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde desbetreffende afvalbeheersplannen;

d) de exploitant aan de bevoegde autoriteit kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden van bijlage II of bijlage V voor dioxinen, furanen en zware metalen; dat wordt beoordeeld aan de hand van informatie over de kwaliteit van het afval in kwestie en metingen van de emissies van de genoemde stoffen;

e) de kwaliteitscriteria en de nieuwe periode voor de periodieke metingen in de vergunning vermeld worden;

f) alle besluiten over de frequentie van de in dit lid bedoelde metingen, aangevuld met informatie over de hoeveelheid en de kwaliteit van het afval in kwestie, jaarlijks aan de Commissie worden meegedeeld.

8. De resultaten van de metingen, verricht ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden, worden tot de volgende condities, en voor zuurstof volgens de formule van bijlage VI gestandaardiseerd:

a) temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 11 %, droog gas, voor rookgas van verbrandingsinstallaties;

b) temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 3 %, droog gas, voor rookgas van verbranding van afgewerkte olie als gedefinieerd in Richtlijn 75/439/EEG van de Raad;

c) wanneer de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand of meeverbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde instantie vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt;

d) bij meeverbranding worden de meetresultaten herleid tot een totaal zuurstofgehalte als berekend in bijlage II.

Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het rookgas in een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, dan geschiedt standaardisering voor de in de eerste alinea vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte.

9. Alle meetresultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd, zodat de bevoegde autoriteiten volgens door hen vast te stellen procedures kunnen controleren of de vastgestelde exploitatievoorwaarden en de in deze richtlijn vervatte emissiegrenswaarden worden nageleefd.

10. De grenswaarden voor emissie in de lucht worden geacht te worden nageleefd indien:

a) - geen van de daggemiddelden hoger is dan een in bijlage V, onder a), of bijlage II vermelde emissiegrenswaarde,

- 97 % van het daggemiddelde over het jaar niet hoger is dan de in bijlage V, onder e), eerste streepje, vermelde emissiegrenswaarden;

b) ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan een van de in bijlage V, onder b), kolom A, vermelde emissiegrenswaarden ofwel, in voorkomend geval, 97 % van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger is dan een van de in bijlage V, onder b), kolom B, vermelde emissiegrenswaarden;

c) geen van de gemiddelden over de voor zware metalen en dioxinen en furanen vastgestelde bemonsteringsperiode hoger is dan een in bijlage V, onder c) en d), of bijlage II vermelde emissiegrenswaarde;

d) aan het bepaalde in bijlage V, onder e), tweede streepje, of bijlage II wordt voldaan.

11. De halfuurgemiddelden en de 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de installatie werkelijk in werking is (niet inbegrepen de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd, wanneer dan geen afvalstoffen worden verbrand) op basis van de meetwaarden nadat daarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van bijlage III, punt 3, is afgetrokken. De daggemiddelden worden bepaald op basis van die gevalideerde gemiddelden.

Een daggemiddelde is slechts geldig indien voor de betrokken dag niet meer dan vijf halfuurgemiddelden als gevolg van defecten of het onderhoud van het systeem voor continumetingen buiten beschouwing zijn gelaten. Per jaar mogen niet meer dan tien daggemiddelden ten gevolge van defecten of onderhoud van het continumetingssysteem buiten beschouwing worden gelaten.

12. De gemiddelden over de bemonsteringsperiode en de gemiddelden in het geval van periodieke metingen van HF, HCl en SO2 worden bepaald overeenkomstig artikel 10, leden 2 en 4, en bijlage III.

13. Zodra in de Gemeenschap geschikte meettechnieken beschikbaar zijn, besluit de Commissie volgens de procedure van artikel 17 vanaf welke datum continumetingen van de uitstoot van dioxinen en zware metalen in de atmosfeer overeenkomstig bijlage III moeten worden uitgevoerd.

14. De volgende metingen worden uitgevoerd op het lozingspunt van het afvalwater:

a) continumetingen van de in artikel 8, lid 6, onder b), genoemde parameters;

b) dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes; als alternatief kunnen de lidstaten bepalen dat er metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur gehouden moeten worden;

c) ten minste maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur van de in artikel 8, lid 3, bedoelde verontreinigende stoffen overeenkomstig de punten 2 tot en met 10 van bijlage IV;

d) ten minste elke 6 maanden van dioxinen en furanen; gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden een meting te worden uitgevoerd; de lidstaten mogen zelf meetfrequenties bepalen voor de door hen vastgestelde emissiegrenswaarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen of andere verontreinigende stoffen.

15. De controle op de hoeveelheid verontreinigende stoffen in het gezuiverde afvalwater geschiedt overeenkomstig de communautaire wetgeving, en wordt samen met de meetfrequentie in de vergunning gespecificeerd.

16. De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden geacht te zijn nageleefd indien:

a) bij metingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes (verontreinigende stoffen nr. 1) 95 % en 100 % van de meetwaarden de respectieve emissiegrenswaarden van bijlage IV overschrijden;

b) bij metingen van zware metalen (verontreinigende stoffen nr. 2 t/m 10) niet meer dan eenmaal per jaar de emissiegrenswaarden van bijlage IV overschreden worden; of, indien de lidstaat meer dan 20 steekproeven per jaar voorschrijft, bij niet meer dan 5 % van deze steekproeven de emissiegrenswaarden van bijlage IV overschreden worden;

c) bij de halfjaarlijkse metingen van dioxinen en furanen (verontreinigende stof nr. 11) de emissiegrenswaarde van bijlage IV niet overschreden wordt.

17. Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de in deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden voor lucht of water zijn overschreden, worden de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte gebracht.

Vorige artikelen

Volgende artikelen