Art. 13 Richtlijn 2000/76/EG, Abnormale werkingsomstandigheden

Richtlijn 2000/76/EG

1. De bevoegde autoriteit stelt in de vergunning de maximaal aanvaardbare duur vast van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen dan wel defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur gedurende welke de concentraties van de onder de voorschriften vallende stoffen in de emissies in de atmosfeer en het gezuiverde afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden.

2. In geval van een defect vermindert de exploitant de activiteit van de installatie zo spoedig mogelijk of legt hij de installatie stil totdat normale werking opnieuw mogelijk is.

3. Onverminderd artikel 6, lid 3, onder c), gaat de verbrandingsinstallatie, de meeverbrandingsinstallatie of de verbrandingsstraat bij overschrijding van de emissiegrenswaarden in geen geval meer dan vier uur ononderbroken door met de verbranding van afval; voorts bedraagt de totale tijdsduur gedurende welke een installatie in die omstandigheden in werking is, per jaar minder dan 60 uur. De duur van 60 uur geldt voor die straten van de gehele installatie die verbonden zijn met één enkele rookgasreinigingsinrichting.

4. Het totale stofgehalte van de emissies in de atmosfeer van een verbrandingsinstallatie overschrijdt onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde van 150 mg/m3; voorts mogen de grenswaarden voor de emissie van CO en TOC in de lucht evenmin worden overschreden. Aan alle andere in artikel 6 genoemde voorwaarden moet worden voldaan.

Vorige artikelen

Volgende artikelen