Art. 4 Richtlijn 2000/76/EG, Aanvraag en vergunning

Richtlijn 2000/76/EG

1. Onverminderd artikel 11 van Richtlijn 75/442/EEG, of artikel 3 van Richtlijn 91/689/EEG mag geen enkele verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie geëxploiteerd worden zonder een vergunning voor het verrichten van dergelijke activiteiten.

2. Onverminderd Richtlijn 96/61/EG omvatten de bij de bevoegde instantie ingediende vergunningsaanvragen voor verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties een beschrijving van de geplande maatregelen om het volgende te waarborgen:

a) de installatie wordt zo ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd, dat aan de voorschriften van deze richtlijn wordt voldaan, met inachtneming van de te verbranden afvalcategorieën;

b) de bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces opgewekte warmte wordt voor zover doenlijk teruggewonnen, bijvoorbeeld door middel van warmtekrachtkoppeling, het produceren van processtoom of stadsverwarming;

c) het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan worden tot een minimum beperkt, en de residuen worden in voorkomend geval gerecycleerd;

d) de verwijdering van de residuen die niet kunnen worden vermeden of beperkt en die niet kunnen worden gerecycleerd, geschiedt overeenkomstig de nationale en de communautaire wetgeving.

3. Een vergunning wordt alleen afgegeven indien uit de aanvraag blijkt dat de voorgestelde meettechnieken voor emissies in de atmosfeer in overeenstemming zijn met bijlage III, en, voor zover het water betreft, met de punten 1 en 2 van bijlage III.

4. De door de bevoegde instantie voor een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie afgegeven vergunning voldoet aan de toepasselijke vereisten van de Richtlijnen 91/271/EEG, 91/61/EG, 96/62/EG, 76/464/EEG en 1999/31/EG, en :

a) bevat een expliciete lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Deze lijst omvat indien mogelijk ten minste de afvalcategorieën die worden onderscheiden in de Europese afvalcatalogus (EAC), en geeft in voorkomend geval informatie over de hoeveelheid afval;

b) vermeldt de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie;

c) specificeert welke bemonsterings- en meetprocedures worden gebruikt om te voldoen aan de eisen inzake periodieke metingen van de diverse verontreinigende stoffen in de lucht en in het water.

5. Naast het genoemde in lid 4, vermeldt de door de bevoegde instantie afgegeven vergunning voor een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden gebruikt:

a) de hoeveelheden van de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen die mogen worden verwerkt;

b) de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen, de laagste en de hoogste calorische waarde ervan, alsmede de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen, bijvoorbeeld PCB's, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen.

6. Onverminderd de bepalingen van het Verdrag moeten de lidstaten een lijst opstellen van de afvalcategorieën die in vastgestelde categorieën van meeverbrandingsinstallaties kunnen worden meeverbrand.

7. Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 96/61/EG toetst de bevoegde autoriteit de voorwaarden in de vergunningen geregeld en herziet zij die zo nodig.

8. Wanneer de exploitant van een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie voor ongevaarlijk afval een wijziging van de exploitatie overweegt die de verbranding of meeverbranding van gevaarlijk afval meebrengt, wordt dit beschouwd als een belangrijke wijziging in de zin van artikel 2, punt 10, onder b), van Richtlijn 96/61/EG en is artikel 12, lid 2, van die richtlijn van toepassing.

9. Indien een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning, met name wat de emissiegrenswaarden voor lucht en water aangaat, treft de bevoegde autoriteit handhavingsmaatregelen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen