Art. 9 Richtlijn 2000/76/EG, Residuen
Het ontstaan van residuen bij de exploitatie van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie en de schadelijkheid daarvan worden tot een minimum beperkt. De residuen worden, overeenkomstig de toepasselijke communautaire wetgeving, in voorkomend geval, in de installatie zelf of daarbuiten gerecycleerd.
Vervoer en tussentijdse opslag van droge residuen in de vorm van stof, bijvoorbeeld ketelas en droge residuen van rookgasbehandeling, geschieden op zodanige wijze dat verwijdering in het milieu voorkomen wordt, b.v. in gesloten houders.
Voordat de methoden van verwijdering of recycling van de residuen uit verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties worden vastgesteld, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan welke de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de verschillende verbrandingsresiduen zijn. De analyse heeft betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.