Art. 6 Richtlijn 2000/76/EG, Exploitatievoorwaarden
1. De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd, dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) in de slakken en de bodemas minder bedraagt dan 3 %, of hun gloeiverlies minder bedraagt dan 5 %, van het droge gewicht van het materiaal. Zo nodig moet het afval met passende technieken worden voorbehandeld.
Verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C, gemeten gedurende twee seconden dichtbij de binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand, dient de temperatuur gedurende ten minste twee seconden tot 1100 °C te worden opgevoerd.
Elke verbrandingsstraat van de installatie wordt uitgerust met ten minste één hulpbrander. Deze brander moet automatisch worden ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht tot onder 850 °C of, naar gelang van het geval, 1100 °C zakt. Hij moet ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de installatie worden gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat de temperatuur van 850 °C of, naar gelang van het geval, 1100 °C gedurende bedoelde werkzaamheden steeds wordt gehandhaafd zolang zich onverbrande afvalstoffen in de verbrandingskamer bevinden.
Tijdens de inwerkingstelling en de stillegging, en wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas tot onder 850 °C of, naar gelang van het geval, 1100 °C daalt, worden geen brandstoffen naar de hulpbrander toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan bij het stoken van gasolie als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 75/716/EEG, vloeibaar gas of aardgas het geval is.
2. Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand, dient de temperatuur tot 1100 °C te worden opgevoerd.
3. Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties beschikken over en maken gebruik van een automatisch systeem ter voorkoming dat afval wordt toegevoerd:
a) bij het in werking stellen, totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naar gelang van het geval, 1100 °C, dan wel de volgens lid 4 aangegeven temperatuur is bereikt;
b) wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naar gelang van het geval, 1100 °C, dan wel de volgens lid 4 aangegeven temperatuur niet gehandhaafd blijft;
c) wanneer de bij deze richtlijn voorgeschreven continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaarde wordt overschreden als gevolg van storingen of defecten in de reinigingsapparatuur.
4. Mits aan de voorschriften van deze richtlijn wordt voldaan, mogen door de bevoegde autoriteit voorschriften worden vastgesteld die verschillen van die van lid 1 en, wat de temperatuur betreft, van lid 3, en die in de vergunning voor bepaalde categorieën afval of voor bepaalde thermische processen worden omschreven. De lidstaten kunnen regels stellen voor dergelijke machtigingen. De wijziging van de exploitatievoorwaarden mag er niet toe leiden, dat meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan organische verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de in lid 1 genoemde voorwaarden.
Mits aan de voorschriften van deze richtlijn wordt voldaan, mogen door de bevoegde autoriteit voorschriften worden vastgesteld die verschillen van die van lid 2 en, wat de temperatuur betreft, van lid 3, en die in de vergunning voor bepaalde categorieën afvalstoffen of voor bepaalde thermische processen worden omschreven. De lidstaten kunnen regels stellen voor dergelijke machtigingen. In dergelijke gevallen moet ten minste voor de totale hoeveelheid organische koolstof en voor CO aan de emissiegrenswaarden van bijlage V worden voldaan.
In de papierpulp- en papierindustrie geldt voor het verlenen van deze vergunning de voorwaarde dat bij meeverbranding van het eigen afval op de plaats van productie in bestaande schorsovens voor de totale hoeveelheid koolstof ten minste aan de emissiegrenswaarden van bijlage V wordt voldaan.
Alle op grond van de bepalingen van dit lid vastgestelde exploitatievoorwaarden alsmede de uitslagen van de verrichte controles worden door de lidstaat aan de Commissie meegedeeld als deel van de krachtens de rapportagebepalingen verstrekte informatie.
5. Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties worden op zodanige wijze ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat wordt voorkomen dat de emissies in de lucht tot aanzienlijke verontreiniging op de grond leiden; in het bijzonder moeten de rookgassen op beheerste wijze en overeenkomstig de toepasselijke communautaire luchtkwaliteitsnormen worden geloosd door een schoorsteen waarvan de hoogte zo wordt berekend, dat de menselijke gezondheid en het milieu daardoor worden beschermd.
6. De warmte die door het verbrandings- of het meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt voor zover doenlijk teruggewonnen.
7. Infectieus ziekenhuisafval moet direct in de oven worden geplaatst, zonder eerst met andere afvalcategorieën te worden vermengd en zonder rechtstreeks te worden aangeraakt.
8. Het beheer van de verbrandings- of de meeverbrandingsinstallatie is in handen van een natuurlijke persoon die bevoegd is om de installatie te beheren.