Art. 5 Richtlijn 2000/76/EG, Aflevering en inontvangstneming van afval

Richtlijn 2000/76/EG

1. De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige voorzorgsmaatregelen om negatieve gevolgen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsmede stankoverlast en geluidhinder, en directe risico's voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, zover als haalbaar is te beperken. Deze maatregelen moeten ten minste voldoen aan de voorschriften van de leden 3 en 4.

2. De exploitant stelt, indien mogelijk overeenkomstig de EAC, de massa van elke afvalcategorie vast, voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie wordt aanvaard.

3. Voordat gevaarlijke afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie kunnen worden aanvaard, moet informatie over de afvalstoffen ter beschikking van de exploitant zijn gesteld aan de hand waarvan onder meer kan worden vastgesteld of aan de vergunningsvoorwaarden van artikel 4, lid 5, is voldaan. In deze informatie zijn vermeld:

a) alle administratieve informatie over het opwekkingsproces als vervat in de documenten van lid 4, onder a);

b) de fysische en, voorzover doenlijk, de chemische samenstelling van de afvalstoffen, alsmede alle overige benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces;

c) de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee zij niet mogen worden gemengd en de bij behandeling van de afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen.

4. Voordat de gevaarlijke afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie worden aanvaard, moet de exploitant van de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedures volgen:

a) controle van de documenten die vereist zijn op grond van Richtlijn 91/689/EEG alsmede, in voorkomend geval, op grond van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap(23) en de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen;

b) behalve wanneer dit niet dienstig is, bijvoorbeeld bij infectieus ziekenhuisafval, representatieve monsters nemen, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost, om aan de hand van controles na te gaan of de monsters met de in lid 3 bedoelde informatie overeenstemmen en om het de bevoegde autoriteiten mogelijk te maken de aard van de behandelde afvalstoffen vast te stellen. Deze monsters moeten gedurende ten minste een maand na de verbranding worden bewaard.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen afwijkingen van de leden 2, 3 en 4 toestaan voor industriële installaties en ondernemingen die uitsluitend het door henzelf geproduceerde afval verbranden of meeverbranden op de plaats waar het werd geproduceerd, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn.

Vorige artikelen

Volgende artikelen