Art. 3 Richtlijn 2000/76/EG, Definities

Richtlijn 2000/76/EG

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "afval": vast of vloeibaar afval als omschreven in artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG;

2. "gevaarlijke afvalstoffen": vaste of vloeibare afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen.(19)

Voor de volgende gevaarlijke afvalstoffen zijn de specifieke voorschriften voor gevaarlijk afval van deze richtlijn niet van toepassing:

a) brandbare vloeibare afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie(20), indien zij voldoen aan de volgende criteria:

i) de concentratie gepolychloreerde aromatische koolwaterstoffen, bijvoorbeeld polychloorbifenylen (PCB's) of pentachloorfenol (PCP), bedraagt niet meer dan de in de communautaire regelgeving ter zake vermelde concentraties,

ii) deze afvalstoffen zijn gevaarlijk maar niet ten gevolge van de aanwezigheid van andere bestanddelen als genoemd in bijlage II van Richtlijn 91/689/EEG in hoeveelheden of concentraties die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG, en

iii) de netto calorische waarde bedraagt ten minste 30 MJ per kg;

b) brandbare vloeibare afvalstoffen die in het rookgas dat rechtstreeks bij hun verbranding ontstaat geen andere emissies dan die van gasolie als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 93/12/EEG(21) en geen hogere concentratie van emissies dan door de verbranding van de aldus omschreven gasolie kunnen veroorzaken.

3. "ongesorteerd stedelijk afval": huishoudelijk afval, alsmede bedrijfs-, industrieel en institutioneel afval dat qua aard en samenstelling te vergelijken is met huishoudelijk afval, behoudens de in de bijlage van Beschikking 94/3/EG(22) onder 2001 genoemde fracties die afzonderlijk aan de bron worden ingezameld en de onder 2002 van die bijlage genoemde andere afvalstoffen;

4. "verbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Een en ander omvat de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand.

Deze definitie omvat het terrein en de gehele verbrandingsinstallatie met inbegrip van alle verbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandingsomstandigheden;

5. "meeverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten

- waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of

- waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering.

Indien meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is, wordt de installatie beschouwd als een verbrandingsinstallatie in de zin van punt 4.

Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met inbegrip van alle meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsmede de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en behandeling van de verbrandingsomstandigheden;

6. "bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie": een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die

a) vóór 28 december 2002 in werking is en over een vergunning beschikt overeenkomstig de communautaire wetgeving, of

b) toestemming heeft of geregistreerd is voor verbranding of meeverbranding en over een vergunning beschikt die is afgegeven vóór 28 december 2002 overeenkomstig de communautaire wetgeving, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28 december 2003 operationeel is, of

c) naar het oordeel van de bevoegde autoriteit vóór 28 december 2002 volwaardig kandidaat is voor een vergunning, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28 december 2004 operationeel is;

7. "nominale capaciteit": de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de installatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van in het bijzonder de verbrandingswaarde van het afval, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die per uur kan worden verbrand;

8. "emissie": de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte of geluid door individuele of diffuse bronnen in de installatie in lucht, water of bodem;

9. "emissiegrenswaarde": de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van de emissies die/dat gedurende één of meer perioden niet mag worden overschreden;

10. "dioxinen en furanen": alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen die in bijlage I worden opgesomd;

11. "exploitant": iedere natuurlijke of rechtspersoon die de installatie exploiteert of die de controle daarover heeft of aan wie, voorzover de nationale wetgeving daarin voorziet, economische zeggenschap over de technische werking van de installatie is overgedragen;

12. "vergunning": een door de bevoegde autoriteit afgegeven schriftelijk besluit, of verscheidene besluiten van dien aard, waarbij toestemming wordt verleend om een installatie onder bepaalde voorwaarden te exploiteren, welke voorwaarden moeten garanderen dat de installatie voldoet aan de eisen van deze richtlijn. Een vergunning kan betrekking hebben op een of meer installaties of delen van installaties die zich op dezelfde locatie bevinden en die door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd;

13. "residu": een vloeibaar of vast materiaal (met inbegrip van bodemas, slakken, vliegas en ketelas, vaste reactieproducten die ontstaan bij de gasreiniging, zuiveringsslib van de zuivering van afvalwater, afgewerkte katalysatoren en afgewerkte actieve kool) dat valt onder de omschrijving van afvalstoffen in artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG, en dat wordt geproduceerd bij het verbrandings- of meeverbrandingsproces, de zuivering van rookgassen of afvalwater of andere processen in de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen