Art. 29 Verordening (EG) nr. 2038/1999

Verordening (EG) nr. 2038/1999

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3 is het A-quotum van elke inulinestroop producerende onderneming gelijk aan de hoeveelheid die zij in de periode van 1 juli 1992 tot en met 30 juni 1993 in een specifieke voor inulinehydrolyse ontworpen en gereserveerde installatie heeft geproduceerd in een compleet en van de ontvangst van het agrarische basisproduct tot de uiteindelijke inulinestroopproductie continu verwerkingsproces. Deze productie wordt door de betrokken lidstaat geconstateerd onder nader te bepalen voorwaarden.

2. Het B-quotum van iedere inulinestroop producerende onderneming is gelijk aan 23,55 % van haar overeenkomstig de leden 1 en 3 vastgestelde A-quotum.

3. Het in lid 1 bedoelde A-quotum wordt eventueel zodanig gecorrigeerd, dat de som van het A- en het B-quotum:

- niet groter is dan 85 % en

- niet kleiner is dan 65 %

van de technische productiecapaciteit van de betrokken onderneming die per 1 oktober 1992 was geïnstalleerd voor een continu industriële productie van inulinestroop in de specifieke voor inulinehydrolyse ontworpen en gereserveerde installatie als omschreven in lid 1.

Voor het bepalen van deze capaciteit houdt de betrokken lidstaat rekening met de per dag tot inulinestroop verwerkte hoeveelheid agrarisch basisproduct over een periode van maximaal 100 dagen per jaar.

4. Met het oog op de in lid 1 bedoelde constatering van de productie moet iedere inulinestroopfabrikant met ingang van 1 juli 1992 aan de lidstaat op het grondgebied waarvan zijn onderneming gevestigd is, onverwijld aangifte doen van elke inulinehydrolyse-installatie die dient voor de productie, overeenkomstig lid 1, van het in artikel 1, lid 2, omschreven product. De betrokken lidstaat kan van de fabrikant alle gewenste nadere informatie terzake verlangen.

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om na te gaan of de aangiften juist zijn.

De door de lidstaat toegewezen A- en B-quota worden uitgedrukt in suiker/isoglucose-equivalent door vermenigvuldiging van de in droge stof geconstateerde productie met de coëfficiënt 1,9.

De betrokken lidstaten delen de Commissie mee welke quota zijn toegewezen, en aan welke fabrikanten, en de Commissie doet daarvan mededeling aan de andere lidstaten.

5. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, en met name de in lid 1 bedoelde voorwaarden, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 48.