Art. 7 Verordening (EG) nr. 3284/94

Verordening (EG) nr. 3284/94

Inleiding van de procedure 1. Behoudens het bepaalde in lid 10, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van subsidiëring geopend naar aanleiding van een schriftelijke klacht die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid namens de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt ingediend:

i) De klacht kan worden ingediend bij de Commissie of bij een Lid-Staat, die deze aan de Commissie doet toekomen. De Commissie doet de Lid-Staten een afschrift toekomen van elke klacht die zij ontvangt. De klacht wordt geacht te zijn ingediend op de eerste werkdag volgende op de dag van bezorging bij de Commissie als aangetekend poststuk of de dag van afgifte van een ontvangstbewijs door de Commissie.

ii) Wanneer geen klacht wordt ingediend maar een Lid-Staat over voldoende bewijsmateriaal inzake subsidiëring en daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap beschikt, doet hij dit bewijsmateriaal onmiddellijk aan de Commissie toekomen.

2. Een overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ingediende klacht bevat voldoende bewijsmateriaal betreffende het bestaan van tot compensatie aanleiding gevende subsidies (en, zo mogelijk, de hoogte ervan), de schade en het oorzakelijke verband tussen de beweerde gesubsidieerde invoer en de beweerde schade. De klacht bevat alle gegevens waarover de klager redelijkerwijze dient te beschikken met betrekking tot:

i) de identiteit van de klager en de omvang en de waarde van het soortgelijke produkt dat de klager in de Gemeenschap vervaardigt. Wordt namens de bedrijfstak van de Gemeenschap een schriftelijke klacht ingediend, dan wordt deze bedrijfstak daarin omschreven door middel van een lijst van alle gekende communautaire producenten van het soortgelijke produkt (of verenigingen van communautaire producenten van het soortgelijke produkt) en, voor zover mogelijk, een opgave van de hoeveelheid en de waarde van het soortgelijke produkt dat door deze producenten in de Gemeenschap wordt vervaardigd;

ii) een uitvoerige omschrijving van het produkt dat met subsidiëring zou worden ingevoerd, de naam van het betrokken land of de betrokken landen van oorsprong en/of uitvoer, de identiteit van elke gekende exporteur of buitenlandse producent en een lijst van gekende personen die het betrokken produkt invoeren;

iii) bewijsmateriaal ten aanzien van het bestaan, de hoogte en de aard van de betrokken subsidies en of daartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen;

iv) de ontwikkelingen met betrekking tot de omvang van de gesubsidieerde invoer, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke produkt op de markt van de Gemeenschap en de weerslag van de invoer op de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals blijkt uit relevante factoren en indicatoren met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waaronder die welke zijn genoemd in artikel 5, leden 3 en 5.

3. De Commissie onderzoekt voor zover mogelijk de juistheid en toereikendheid van het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om tot de opening van een onderzoek over te gaan.

4. Er kan een onderzoek worden geopend om vast te stellen of de beweerde subsidies specifiek zijn in de zin van artikel 3, leden 2 en 3.

5. Een onderzoek kan eveneens worden geopend ten aanzien van subsidies waartegen ingevolge artikel 3, leden 7, 8 en 9, geen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, teneinde vast te stellen of aan de voorwaarden die bij genoemde leden zijn vastgesteld, is voldaan.

6. Indien een subsidie is toegekend in het kader van een subsidieregeling die, voordat zij in werking trad, bij de Commissie Subsidies en Compenserende Maatregelen van de WTO is aangemeld overeenkomstig artikel 8 van de subsidieovereenkomst en ten aanzien waarvan de Commissie niet heeft kunnen vaststellen dat niet aan de desbetreffende bepalingen van artikel 8 van de subsidieovereenkomst is voldaan, dan wordt geen onderzoek ingesteld naar een subsidie die in het kader van bedoelde regeling is toegekend, tenzij een schending van artikel 8 van de subsidie-overeenkomst is vastgesteld door het bevoegde orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO of door middel van de in artikel 8, lid 5, van de subsidieovereenkomst bedoelde arbitrage.

7. Een onderzoek kan tevens worden ingesteld naar de in bijlage IV vermelde soorten maatregelen voor zover deze een in artikel 2 omschreven subsidie-element bevatten, teneinde vast te stellen of deze maatregelen geheel aan de bepalingen van bijlage IV voldoen.

8. Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend nadat aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin de klacht door de producenten van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap gesteund dan wel betwist wordt, is vastgesteld dat deze door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap is ingediend. De klacht wordt geacht "door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend" indien zij gesteund wordt door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke produktie meer dan 50 % bedraagt van de totale produktie van het soortgelijke produkt dat vervaardigd wordt door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Er wordt evenwel geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale produktie van het soortgelijke produkt door de bedrijfstak van de Gemeenschap vertegenwoordigen.

9. De Commissie geeft geen bekendheid aan de met het oog op de opening van het onderzoek ingediende klacht voordat het besluit tot opening van een onderzoek is genomen. Na ontvangst van een door het nodige bewijsmateriaal gestaafde klacht ingevolge dit artikel en in ieder geval vóór de opening van een onderzoek wordt de overheid van het betrokken land van oorsprong en/of uitvoer door de Commissie op de hoogte gebracht en voor overleg uitgenodigd teneinde de situatie op te helderen ten aanzien van de in lid 2 bedoelde punten en om overeenstemming over een oplossing te bereiken.

10. Indien de Commissie, in bijzondere omstandigheden, besluit een onderzoek te openen zonder dat zij een schriftelijke klacht van of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft ontvangen, wordt het onderzoek slechts geopend indien er voldoende bewijsmateriaal is over het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, schade en oorzakelijk verband zoals bedoeld in lid 2.

11. Bij het nemen van het besluit om al dan niet tot een onderzoek over te gaan wordt het bewijsmateriaal ten aanzien van subsidiëring en schade terzelfder tijd in overweging genomen. Een klacht wordt afgewezen wanneer er niet voldoende bewijs is van tot compensatie aanleiding gevende subsidiëring of van schade om de procedure te kunnen voortzetten. Op grond van dit artikel worden geen procedures ingeleid tegen landen waarvan de invoer een marktaandeel van minder dan 1 % vertegenwoordigt, tenzij die landen te zamen goed zijn voor meer dan 3 % van het verbruik in de Gemeenschap.

12. De klacht kan vóór de opening van het onderzoek worden ingetrokken, in welk geval zij beschouwd wordt als niet te zijn ingediend.

13. Indien na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure in te leiden, gaat de Commissie daartoe over binnen 45 dagen nadat de klacht is ingediend en maakt zij dit in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend. Wanneer onvoldoende bewijsmateriaal werd ingediend, wordt de klager, na overleg, daarvan in kennis gesteld binnen 45 dagen na de datum waarop de klacht bij de Commissie werd ingediend.

14. In het bericht van inleiding van de procedure wordt de opening van een onderzoek aangekondigd, worden het betrokken produkt en de betrokken landen bekendgemaakt, wordt een samenvatting gegeven van de ontvangen informatie en wordt vermeld dat alle relevante informatie aan de Commissie dient te worden medegedeeld. Voorts worden in dit bericht de termijnen bekendgemaakt waarbinnen belanghebbenden zich kenbaar kunnen maken, hun standpunt schriftelijk naar voren kunnen brengen en bij het onderzoek in aanmerking te nemen informatie kunnen verschaffen. Tevens wordt de termijn bekendgemaakt waarbinnen belanghebbenden kunnen verzoeken overeenkomstig artikel 8, lid 5, door de Commissie te worden gehoord.

15. De Commissie stelt de haar bekende betrokken exporteurs en importeurs en representatieve verenigingen van importeurs en exporteurs, evenals de overheid van het land van oorsprong en/of uitvoer en de klagers ervan in kennis dat de procedure werd ingeleid en stelt de volledige tekst van de overeenkomstig lid 1 ontvangen schriftelijke klacht, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, ter beschikking van de gekende exporteurs, de autoriteiten van het land van oorsprong en/of uitvoer en, op hun verzoek, de andere belanghebbenden. Wanneer het aantal betrokken exporteurs bijzonder groot is, wordt de volledige tekst van de schriftelijke klacht daarentegen enkel aan de autoriteiten van het land van oorsprong en/of uitvoer of aan de betrokken handelsvereniging toegezonden.

16. Een subsidieonderzoek mag de inklaringsprocedures van de douane niet hinderen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen