Art. 3 Verordening (EG) nr. 3284/94
Tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies A. BEGINSEL 1. Tegen subsidies in de zin van artikel 2 kunnen uitsluitend compenserende maatregelen worden genomen indien zij specifiek zijn in de zin van de leden 2, 3 en 4.
B. SPECIFICITEIT 2. Om te bepalen of een subsidie, zoals omschreven in artikel 2, specifiek is voor een onderneming of bedrijfstak of groep ondernemingen of bedrijfstakken (in deze verordening "bepaalde ondernemingen" genoemd) binnen het rechtsgebied van de subsidie verlenende autoriteit, zijn de volgende beginselen van toepassing:
a) Een subsidie is specifiek wanneer de subsidie verlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan de subsidie verlenende autoriteit handelt, de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt.
b) Een subsidie is niet specifiek indien de subsidie verlenende autoriteit objectieve criteria of voorwaarden hanteert voor de toekenning van subsidies en het vaststellen van de hoogte ervan, of indien zulke criteria of voorwaarden zijn neergelegd in de wetgeving op grond waarvan de subsidie verlenende autoriteit handelt, voor zover de ondernemingen dan automatisch voor de subsidie in aanmerking komen en de criteria en voorwaarden strikt in acht worden genomen.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder "objectieve criteria of voorwaarden" de criteria en voorwaarden verstaan die bepaalde ondernemingen niet ten opzichte van andere begunstigen en die economisch van aard en horizontaal van toepassing zijn, zoals het aantal werknemers of de grootte van de onderneming.
De criteria of voorwaarden moeten in de wetten, voorschriften of andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven zodat controle mogelijk is.
c) Indien, ondanks het feit dat er op grond van het bepaalde onder a) en b) geen sprake lijkt te zijn van specificiteit, er toch redenen zijn om aan te nemen dat een subsidie specifiek is, kunnen andere factoren in aanmerking worden genomen, zoals gebruik van een subsidieregeling door een beperkt aantal bepaalde ondernemingen, overheersend gebruik door bepaalde ondernemingen, de toekenning van onevenredig hoge bedragen aan subsidie aan bepaalde ondernemingen en de wijze waarop de subsidieverlenende autoriteit bij het besluit om subsidie te verlenen van haar discretionaire bevoegdheid gebruik maakt. In dit verband worden met name de frequentie waarmee aanvragen om subsidies worden afgewezen of ingewilligd en de redenen daarvan in aanmerking genomen.
Bij de toepassing van deze alinea wordt rekening gehouden met de mate van diversificatie van de economische activiteiten binnen het rechtsgebied van de subsidie verlenende autoriteit en de tijd gedurende welke de subsidieregeling van kracht is.
3. Een subsidie die tot bepaalde ondernemingen in een afgebakend geografisch gebied binnen het rechtsgebied van een subsidie verlenende autoriteit is beperkt, is specifiek, met dien verstande dat de vaststelling of wijziging van algemeen geldende belastingtarieven door alle overheidsinstanties die daartoe zijn gerechtigd, niet geacht wordt een specifieke subsidie te zijn in de zin van deze verordening.
4. Ongeacht het bepaalde in de leden 2 en 3, worden de volgende subsidies geacht specifiek te zijn:
a) Subsidies die, rechtens of in feite, uitsluitend of onder meer van exportprestaties afhankelijk zijn, met inbegrip van de in bijlage I genoemde subsidies.
Subsidies worden geacht afhankelijk van exportprestaties te zijn wanneer uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van exportprestaties afhankelijk is, in feite gebonden is aan bestaande of verwachte export of aan exportinkomsten. Het feit alleen dat een subsidie aan ondernemingen wordt toegekend die exporteren, is op zich niet voldoende om aan te nemen dat deze subsidie een exportsubsidie in de zin van deze bepaling is.
b) Subsidies die uitsluitend of onder meer afhankelijk zijn van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.
5. De vaststelling dat er sprake is van een specifieke subsidie op grond van het bepaalde in dit artikel, moet duidelijk met positief bewijsmateriaal zijn gestaafd.
C. SUBSIDIES DIE NIET TOT COMPENSERENDE MAATREGELEN AANLEIDING GEVEN 6. Tegen de volgende subsidies kunnen geen compenserende maatregelen worden genomen:
a) subsidies die niet specifiek zijn in de zin van de leden 2 en 3;
b) subsidies die specifiek zijn in de zin van de leden 2 en 3, maar die aan de voorwaarden van de leden 7, 8 en 9 voldoen;
c) het subsidie-element dat eventueel in een van de in bijlage IV vermelde maatregelen is opgenomen.
7. Tegen subsidies voor de onderzoekactiviteiten van bedrijven of van hoger-onderwijs- of onderzoekinstellingen die op contractbasis onderzoek voor bedrijven uitvoeren, kunnen geen compenserende maatregelen worden genomen, indien de subsidie niet meer dan 75 % van de kosten van industrieel onderzoek dekt of 50 % van de kosten van preconcurrentiële ontwikkeling en voor zover deze subsidie uitsluitend beperkt is tot:
i) personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel dat zich uitsluitend met onderzoek bezighoudt);
ii) kosten van apparatuur, uitrusting, land en gebouwen die uitsluitend en permanent (behalve indien ze op commerciële basis worden afgestaan) voor onderzoek worden gebruikt;
iii) kosten van advies en soortgelijke diensten die uitsluitend voor het onderzoek worden gebruikt, met inbegrip van aangekocht onderzoek, aangekochte technische kennis, octrooien, enz.;
iv) extra algemene kosten die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien;
v) andere exploitatiekosten (zoals die van materieel, leveranties en dergelijke) die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien.
Voor de toepassing van dit lid geldt bovendien het volgende:
a) Het toegestane niveau van de in dit lid bedoelde subsidie waartegen geen compenserende maatregelen genomen kunnen worden, wordt vastgesteld aan de hand van de totale in aanmerking te nemen kosten die tijdens de duur van een afzonderlijk project zijn ontstaan.
Voor programma's die zowel "industrieel onderzoek" als "preconcurrentiële ontwikkeling" omvatten, mag het niveau van de subsidie waartegen geen compenserende maatregelen genomen kunnen worden, niet hoger zijn dan het gewone gemiddelde van de toegestane niveaus van de subsidie waartegen geen compenserende maatregelen genomen kunnen worden, dat op deze twee categorieën van toepassing is, berekend aan de hand van alle in aanmerking te nemen kosten zoals uiteengezet onder i) tot en met v).
b) Onder "industrieel onderzoek" wordt geprogrammeerd of kritisch onderzoek verstaan dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze kennis bij de ontwikkeling van nieuwe produkten, processen of diensten te gebruiken, of om bestaande produkten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren.
c) Onder "preconcurrentiële ontwikkeling" wordt verstaan de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde produkten, processen of diensten, of deze nu voor verkoop of voor gebruik zijn bestemd, met inbegrip van de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve produkten, processen of diensten worden verstaan en eerste demonstratie- of modelprojecten, voor zover deze projecten niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Daaronder wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande produkten, produktielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.
De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op burgerluchtvaartuigen (zoals omschreven in de Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen van 1979, zoals gewijzigd, of in latere overeenkomsten tot wijziging of vervanging van deze overeenkomst).
8. Er kunnen geen compenserende maatregelen worden genomen tegen subsidies aan achtergebleven regio's op het grondgebied van het land van oorsprong en/of uitvoer, die in het algemene kader van regionale ontwikkeling worden verleend en die volgens de criteria van de leden 2 en 3 binnen de in aanmerking komende regio's niet specifiek zouden zijn, in zoverre:
i) elke achtergebleven regio een duidelijk afgebakende aaneengesloten geografische zone is met een definieerbare economische en administratieve identiteit;
ii) de regio als achtergebleven wordt beschouwd op grond van neutrale en objectieve criteria die erop wijzen dat de problemen van de regio niet slechts aan tijdelijke omstandigheden zijn te wijten; deze criteria moeten in wetten, voorschriften of andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven, zodat ze gecontroleerd kunnen worden;
iii) de criteria een meting van de economische ontwikkeling inhouden die ten minste op één van de volgende factoren is gebaseerd:
- hetzij het inkomen of het gezinsinkomen per hoofd van de bevolking, hetzij het BBP per hoofd van de bevolking, dat niet meer dan 85 % mag bedragen van het gemiddelde op het grondgebied van het betrokken land van oorsprong of uitvoer,
- het werkloosheidspercentage dat ten minste 110 % moet bedragen van het gemiddelde op het grondgebied van het betrokken land van oorsprong of uitvoer,
over een periode van drie jaar; deze berekening mag echter een gemengde zijn, waarbij met andere factoren rekening wordt gehouden.
Voor de toepassing van dit lid:
a) wordt onder een "algemeen kader van regionale ontwikkeling" verstaan dat de regionale subsidieregelingen deel uitmaken van een innerlijk samenhangend regionaal ontwikkelingsbeleid van algemene toepassing en dat de subsidies voor regionale ontwikkeling niet aan geïsoleerde geografische plaatsen worden toegekend die geen of vrijwel geen invloed hebben op de ontwikkeling van een regio;
b) worden onder "neutrale en objectieve criteria" criteria verstaan die bepaalde regio's niet meer dan nodig is begunstigen om de regionale verschillen op te heffen of te verminderen in het kader van het regionale ontwikkelingsbeleid. Regionale subsidieregelingen omvatten in dit verband maxima voor de hoogte van de subsidie die voor elk gesubsidieerd project kan worden toegekend. Deze maxima moeten verschillen al naar gelang van de verschillende ontwikkelingsniveaus van de in aanmerking komende regio's en moeten in termen van investeringskosten of de kosten van het scheppen van arbeidsplaatsen worden uitgedrukt. Binnen deze maxima geschiedt de verdeling van de subsidie voldoende gelijkmatig om te voorkomen dat een subsidie voornamelijk door bepaalde ondernemingen wordt gebruikt of dat onevenredig hoge subsidiebedragen aan bepaalde ondernemingen worden toegekend. Deze alinea wordt met inachtneming van de criteria van de leden 2 en 3 toegepast.
9. Compenserende maatregelen kunnen niet worden genomen ten aanzien van subsidies ter bevordering van de aanpassing van de bestaande uitrusting aan nieuwe milieu-eisen ingevolge wetten en/of voorschriften en die voor de bedrijven meer verplichtingen en grotere financiële lasten met zich brengen, mits de subsidie:
i) een eenmalige maatregel is die niet wordt herhaald, en ii) beperkt is tot 20 % van de kosten van de aanpassing, en iii) geen betrekking heeft op de vervangings- en exploitatiekosten van de gesteunde investering, welke kosten geheel en al door de bedrijven gedragen moeten worden, en iv) rechtstreeks verband houdt met en evenredig is aan de voorgenomen vermindering van overlast en vervuiling door een bedrijf en geen eventuele besparing op de produktiekosten dekt, en v) beschikbaar is voor alle bedrijven die de nieuwe uitrusting installeren en/of de nieuwe produktieprocessen toepassen.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder "bestaande uitrusting" uitrusting verstaan die, wanneer de nieuwe milieu-eisen van kracht worden, ten minste twee jaar in gebruik is.