Art. 4 Verordening (EG) nr. 3284/94

Verordening (EG) nr. 3284/94

Berekening van de hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies A. BEGINSEL 1. De hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wordt, voor de toepassing van deze verordening, berekend in termen van het voordeel dat de ontvanger hierdoor heeft verkregen in het tijdvak dat in het kader van de subsidieprocedure wordt onderzocht. Dit tijdvak is normalerwijze het meest recente boekjaar van de subsidieontvanger, maar kan ook een andere periode zijn van ten minste zes maanden voorafgaande aan de opening van het onderzoek waarvoor betrouwbare financiële en andere relevante gegevens beschikbaar zijn.

B. BEREKENING VAN HET VOORDEEL VOOR DE ONTVANGER 2. Voor de berekening van het voordeel voor de ontvanger gelden de volgende regels:

a) Het inbrengen van kapitaal door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij de investering niet kan worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met normale investeringspraktijken (met inbegrip van het verstrekken van risicokapitaal) van particuliere investeerders op het grondgebied van het land van oorsprong en/of uitvoer.

b) Het toekennen van een lening door een overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat het bedrijf dat de lening ontvangt op de overheidslening betaalt en het bedrag dat het bedrijf voor een vergelijkbare commerciële lening zou betalen die het daadwerkelijk op de markt zou kunnen verkrijgen. In dat geval is het voordeel het verschil tussen de twee bedragen.

c) Het garanderen van een lening door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat het bedrijf dat de garantie ontvangt op een door de overheid gegarandeerde lening betaalt en het bedrag dat het bedrijf voor een vergelijkbare commerciële lening zonder overheidsgarantie zou betalen. In dat geval is het voordeel het verschil tussen de twee bedragen, gecorrigeerd voor eventuele verschillen in commissies.

d) De levering van goederen of diensten of de aankoop van goederen door de overheid wordt niet als het toekennen van een voordeel beschouwd, tenzij de levering tegen een minder dan toereikende beloning plaatsvindt of de aankoop tegen een meer dan toereikende beloning. Of de beloning toereikend is wordt vastgesteld door een vergelijking te maken met de marktvoorwaarden voor de betreffende goederen of diensten in het land van levering of aankoop (waaronder prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, transport en andere aan- of verkoopvoorwaarden).

C. ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE BEREKENING 3. De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt als volgt vastgesteld:

a) De hoogte van deze subsidie wordt vastgesteld per eenheid van het produkt dat met subsidie naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd.

b) Bij het vaststellen van de hoogte van de subsidie mogen de volgende bedragen van de totale subsidie worden afgetrokken:

i) kosten van de aanvrage of andere kosten die gemaakt moesten worden om voor de subsidie in aanmerking te komen of deze te verkrijgen;

ii) uitvoerbelastingen, rechten of andere heffingen op de uitvoer van het produkt naar de Gemeenschap, die specifiek ten doel hebben de subsidie te compenseren.

Wanneer een belanghebbende aftrek van kosten aanvraagt, moet hij bewijzen dat zijn aanvraag gegrond is.

c) Wanneer de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden, wordt de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, vastgesteld door de waarde van de totale subsidie om te slaan over het niveau van de produktie, omzet of uitvoer van het betrokken produkt, al naar gelang van het geval, in het tijdvak dat in het kader van de subsidieprocedure wordt onderzocht.

d) Wanneer een verband kan worden gelegd tussen de subsidie en de verwerving of de toekomstige verwerving van vaste activa, wordt de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, berekend door de subsidie over een periode te spreiden die met de normale afschrijvingstermijn van deze activa in de betrokken bedrijfstak overeenstemt. Het aldus berekende bedrag dat aan het onderzoektijdvak moet worden toegerekend, met inbegrip van het bedrag dat is afgeleid van de vaste activa die vóór die tijdvak zijn verworven, wordt toegerekend zoals omschreven onder c).

Indien de activa niet in waarde verminderen wordt de subsidie met een renteloze lening gelijkgesteld en is lid 2, onder b), daarop van toepassing.

e) Wanneer geen verband kan worden gelegd tussen een subsidie en de verwerving van vaste activa, wordt het voordeel dat tijdens het onderzoektijdvak werd verkregen in beginsel aan dit tijdvak toegerekend en over de kosten verdeeld zoals omschreven onder c), tenzij er sprake is van buitengewone omstandigheden die een toerekening aan een ander tijdvak rechtvaardigen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen