Art. 36 Verordening (EEG) nr. 222/77

Verordening (EEG) nr. 222/77

1. Wanneer wordt vastgesteld dat bij communautair douanevervoer in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan , wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen - onverminderd eventuele strafvervolging - door deze Lid-Staat ingesteld volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen .

2. Indien niet kan worden vastgesteld waar de overtreding of the onregelmatigheid is begaan , wordt zij geacht te zijn begaan :

a) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld aan een kantoor van doorgang dat gelegen is aan een binnengrens : in de Lid-Staat die het vervoermiddel of de goederen het laatst heeft of hebben verlaten ;

b) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld aan een kantoor van doorgang als bedoeld in artikel 11 , sub d ) , tweede streepje : in de Lid-Staat waartoe dit kantoor behoort ;

c) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld op het grondgebied van een Lid-Staat elders dan aan een kantoor van doorgang : in de Lid-Staat waar de vaststelling heeft plaatsgevonden ;

d) wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht : in de laatste Lid-Staat op het grondgebied waarvan het vervoermiddel of de goederen blijkens de kennisgevingen van doorgang is of zijn binnengekomen ;

e) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid na afloop van het communautair douanevervoer wordt vastgesteld : in de Lid-Staat vaar de vaststelling heeft plaatsgevonden .

Uitspraken die dit artikel aanhalen