Hof Amsterdam 16 januari 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3629

In het onderhavige geval zijn aan de orde de volgende rechtsvragen: 1. Heeft de inspecteur, voorafgaand aan de invordering van de douanerechten en omzetbelasting, voldaan aan het bepaalde in artikel 379 van de UCDW (tekst tot 1 juli 2001)? 2. Maakt belanghebbende terecht met overeenkomstige toepassing van artikel 236 van het CDW aanspraak op terugbetaling van de bij de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling vermelde omzetbelasting? 3. Heeft belanghebbende terecht verzoeken om terugbetaling van de opgelegde boetes ingediend? 4. Subsidiair is voor een aantal uitnodigingen tot betaling in geschil (a) of zich voor de heffing van omzetbelasting het belastbare feit invoer in de zin van artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968 heeft voorgedaan; en (b) of de daarop vermelde omzetbelasting terecht van belanghebbende is nagevorderd, nu belanghebbendes opdrachtgevers voor het aan deze uitnodigingen tot betaling ten grondslag liggende externe communautaire douanevervoer telkens beschikten over een aanwijzing als bedoeld in artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen