Rb. Rotterdam 17 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4060

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht in kansloze procedure. Het verzet tegen de uitspraak waarin het beroep kennelijk ongegrond is bevonden is gegrond, want het beroep had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Direct einduitspraak. Misbruik van recht. Voortaan geen ontheffing van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank neemt in aanmerking dat in de voorliggende zaak niet de Afdeling, maar de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de hoger beroepsrechter is, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de Raad de overwegingen in een eerdere uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2016:2730) heeft onderschreven en overgenomen (ECLI:NL:CRVB:2016:3978), terwijl de Afdeling in die uitspraak heeft geoordeeld dat de bestuursrechter bij de beoordeling van de beroepen op betalingsonmacht de vraag dient te betrekken of sprake is van misbruik van recht door opposant. Voorts heeft de Raad een groot aantal eerdere buitenbehandelingstellingen en afwijzingen door het Drechtstedenbestuur naar aanleiding van aanvragen van opposant om bijzondere bijstand in verband met kosten die voortvloeien uit het voeren van procedures in stand gelaten (ECLI:NL:CRVB:2018:2244; ECLI:NL:CRVB:2018:2247; ECLI:NL:CRVB:2018:2252; ECLI:NL:CRVB:2018:2253 en ECLI:NL:CRVB:2018:2254) en heeft hij in een aantal andere zaken geoordeeld dat rechtsmiddelen met betrekking tot dergelijke afgewezen aanvragen bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk waren (ECLI:NL:CRVB:2018:2246; ECLI:NL:CRVB:2018:2248; ECLI:NL:CRVB:2018:2249 en ECLI:NL:CRVB:2018:2251). Uit deze uitspraken kan minstgenomen worden afgeleid dat opposant veelvuldig verzoeken om bijzondere bijstand doet om kosten van griffierecht te kunnen voldoen in volstrekt kansloze zaken. Bovendien heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht in zaken waarin sprake is van verzoeken van opposant om bijzondere bijstand in de kosten van griffierecht (ECLI:NL:RBROT:2017:6919 en ECLI:NL:RBROT:2018:3397). Voorts is de rechtbank eerder gebleken dat opposant vele verzoeken om openbaarmaking bij het Drechtstedenbestuur heeft ingediend omdat hij het Drechtstedenbestuur wil dwarszitten vanwege de afwijzing van aanvragen om bijstand (ECLI:NL:RBROT:2017:6917). Daar komt bij dat de Raad recent nog een hoger beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldeed en hij heeft nagelaten alsnog het verschuldigde griffierecht te voldoen (ECLI:NL:CRVB:2019:425). Voorts is de rechtbank gebleken dat eiser regelmatig optreedt als gemachtigde voor anderen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:537). Bij zijn verzoek om betalingsonmacht heeft hij nagelaten te wijzen op inkomsten als zelfstandige in verband met het optreden als procesgemachtigde, terwijl aannemelijk is dat hij daaruit wel (enige) inkomsten geniet, naast de uitkering die hij ontvangt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2017:6917, onder 3.2.). De rechtbank voegt hier met oog op nieuwe procedures van opposant nog het volgende aan toe. Gelet op de grote hoeveelheid aanvragen en procedures van opposant tegen het Drechtstedenbestuur en andere instanties en de eerder gegeven oordelen van de Afdeling en de rechtbank over het procedeergedrag van opposant, is inmiddels het punt bereikt dat de rechtbank voorshands uitgaat van misbruik van recht door opposant, tenzij aanknopingspunten bestaan voor het tegendeel (vergelijk ECLI:NL:RBROT:2018:3397, onder 6.2 en ECLI:NL:RBROT:2019:593). Dit betekent ook dat opposant bij het aanbrengen van nieuwe zaken in beginsel niet langer bij griffiersbrief een voorlopige ontheffing van het griffierecht zal worden verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken