Conclusie A-G Niessen 15 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1397
Belanghebbende bezat op 1 januari 2013 een effectenportefeuille, geheel bestaande uit beursgenoteerde aandelen [A] N.V, ter waarde van € 275.434. Zijn totale vermogen bedroeg op 1 januari 2013 € 281.938. In de loop van januari 2013 heeft hij de aandelen in [A] N.V. verkocht. Op 31 januari 2013 heeft de belanghebbende voor een bedrag van € 290.955 aandelen SNS Reaal N.V. gekocht. Bij besluit van 1 februari 2013 heeft de minister van Financiën op grond van artikel 6:1 Wft de aandelen in SNS Reaal N.V. onteigend. Hij heeft een aanbod tot schadeloosstelling van € 0 gedaan. De civiele procedure daarover is nog aanhangig. Naar het oordeel van het Hof leidt de vermogensrendementsheffing in belanghebbendes geval tot een individuele en buitensporige last. Zijn inkomen daalde tot onder de armoedegrens. Ten gevolge van het forfaitair bepaalde inkomen uit sparen en beleggen kwam belanghebbende voor het onderhavige jaar niet meer in aanmerking voor huurtoeslag. De belastingheffing over vermogensinkomsten is in een zo ver verwijderd verband met de voor belanghebbende geldende realiteit komen te staan dat de heffing voor de belanghebbende tot confiscatoire gevolgen leidt, aldus het Hof. Het Hof heeft de hoogte van het inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op 1/12e van 4% van € 260.799, dat neerkomt op € 869. Het geschil in cassatie betreft de vraag of bij belanghebbende sprake is van een individuele en buitensporige last ten gevolge van de regel dat de rendementsgrondslag van box 3 voor het hele jaar op 1 januari wordt vastgesteld, én of het Hof de belastingaanslag tijdsevenredig mocht verminderen. De Staatssecretaris komt tegen dat oordeel op in cassatie. Hij stelt twee middelen voor: (i) het Hof heeft ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, geoordeeld dat sprake is van een individuele en buitensporige last, en (ii) het Hof heeft artikel 11 Wab en artikel 8:88 Awb geschonden doordat hij heeft geoordeeld dat de belastingaanslag tijdsevenredig dient te worden verminderd. In de conclusie schetst de A-G het wettelijk kader en de tekortkomingen die daar zijns inziens aan kleven. De wet biedt niet de mogelijkheid aan de belastingplichtige om aan te tonen dat hij ook over een reeks van jaren niet een (gemiddeld) rendement van 4% heeft behaald/kan behalen. De dempende werking van een tweede peildatum kwam met de afschaffing daarvan per 1 januari 2011 te ontvallen. Met die wijziging is volgens de A-G een nieuwe veronderstelling aan de regeling ten grondslag gelegd, namelijk dat het vermogen dat de belastingplichtige bezit, gedurende het hele jaar niet meer of minder waard is dan op 1 januari. De A-G acht het niet mogelijk door interpretatie van de wet belanghebbendes bezwaar tegen de onderhavige aanslag te honoreren. De heffing treft de belanghebbende volgens de A-G in zoverre individueel zwaar dat hij wordt belast ondanks dat zijn rendement (zwaar?) negatief is. Het heffen over een verondersteld rendement van 4% terwijl in werkelijkheid een verlies wordt geleden, kan zijns inziens bezwaarlijk als redelijk worden aangemerkt, in het bijzonder daar geenszins vaststaat dat de belanghebbende binnen een beperkt aantal jaren het verlies weer zal goedmaken. Niet is gebleken van een dringende noodzaak voor de Staat om in gevallen als dat van de belanghebbende de onderhavige belasting te heffen, terwijl belanghebbende zelf een substantieel of zelf groot deel van zijn vermogen heeft verloren en beneden de armoedegrens is geraakt. Het individuele belang heeft te weinig gewicht gekregen tegenover het algemene, aldus de A-G. Verwijzing moet volgen om de waarde in het economisch verkeer te bepalen omdat niet kan worden uitgesloten dat een derde bereid zou zijn om een som te betalen om het risico van hogere/lagere schadevergoeding over te nemen, waardoor de belanghebbende een vordering (‘bezitting’ in box 3) zou hebben. Dat in aanmerking nemend, moet het verwijzingshof beslissen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Rechtsherstel vergt volgens de A-G dat ten aanzien van belanghebbende de vermogensrendementsheffing in dat jaar niet wordt geheven, mits de aangenomen schending van het eigendomsrecht na verwijzing in stand blijft. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard en verwijzing dient te volgen. Het incidenteel beroep in cassatie dient ongegrond te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 11 AB
- Artikel 120 Gw
- Artikel 21 SW
- Artikel 63 AWR
- Artikel 26 IW
- Artikel 8:77 Awb
- Artikel 8:88 Awb
- Artikel 18 WOZ
- Artikel 3.81 Wet IB 2001
- Artikel 3.136 Wet IB 2001
- Artikel 5.2 Wet IB 2001
- Artikel 5.3 Wet IB 2001
- Artikel 6:1 Wft
- Artikel 6:8 Wft
- Artikel 6:9 Wft
- Artikel 6:10 Wft
- Artikel 41 EVRM
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1324
- HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442
- Conclusie A-G Niessen 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:221
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1614
- Conclusie A-G Niessen 28 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:108
- Conclusie A-G Ettema 30 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1036
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- Hof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:594
- Conclusie 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41
- Rb. Gelderland 31 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8177
- Hof Amsterdam 18 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3366
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661
- Conclusie A-G Timmerman 10 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1825
- EHRM 31 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0731JUD001490204
- HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:339
- Hof Amsterdam 11 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1966
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 14 mei 2013, ECLI:NL:XX:2013:367
- ABRvS 25 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0664