Conclusie A-G Wattel 25 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:292
Prejudiciële vragen Samenloop massaal-bezwaarprocedure (systemische verenigbaarheid van box 3 2017 met eigendomsrecht en discriminatieverbod) en afgesplitste individuele procedures (excessive burdens in strijd met eigendomsrecht en discriminatieverbod) De (achtergrond van de) prejudiciële vraag De Staatssecretaris heeft bezwaren tegen de box 3-heffing 2017 ex art. 25c e.v. AWR aangewezen als massaal en als aan de rechter voor te leggen rechtsvraag aangewezen de vraag of de box 3-heffing 2017 het discriminatieverbod van art. 14 EVRM of het eigendomsrecht van art. 1 Protocol I EVRM schendt, maar expliciet niet de vraag of in individuele gevallen de fair balance tussen heffingsdoel en eigendomsaantasting wordt geschonden. De bezwaren die (ook) stelden dat dat het geval was, dus dat de box 3 heffing individueel buitensporig was, zijn gesplitst (art. 25f AWR) en de bezwaren tegen de individuele last zijn bij afzonderlijke uitspraken individueel afgedaan. Belanghebbendes bezwaar tegen zijn aanslag IB/PVV 2017 is aangemerkt als massaal en hij is in de gelegenheid gesteld te motiveren dat de box 3-heffing 2017 hem individueel een buitensporige last oplegde. Dat deel van het bezwaar heeft de Inspecteur ongegrond verklaard. De belanghebbende heeft (hoger) beroep ingesteld. Het Hof Arnhem-Leeuwarden vraagt zich af of hij nu alleen de vraag naar de individuele en buitensporige last moet beantwoorden of ook de vraag naar de systemische verenigbaarheid van box 3 met het EVRM, of geen van beide zolang de massaal-bezwaarprocedure loopt. Verschillende feitenrechters oordelen daarover verschillend. In zaak 20/02453 (vandaag eveneens conclusie) oordeelde het Hof Den Bosch dat de rechter het gehele besluit in primo moet beoordelen, dus inclusief de verenigbaarheid van box 3 met art. 1 Protocol I EVRM op stelselniveau. Het Hof Amsterdam daarentegen meent dat een oordeel over het stelsel alleen gegeven kan worden in de (zes) zaken die zijn geselecteerd voor de massaal-bezwaarprocedure box 3 2017. Beantwoording De massaal-bezwaarprocedure is bedacht om de Belastingdienst en de belastingrechter te ontlasten, de rechtseenheid te bevorderen en sneller antwoord te krijgen op breed levende rechtsvragen. Het keurslijf van de collectieve uitspraak op massaal bezwaar dwingt ertoe om de vraag of zich een individual and excessive burden voordoet te weren uit de zaken die geselecteerd worden voor uitprocederen. Over die vraag kan immers geen collectieve uitspraak gedaan worden. Doordat de fiscus heeft gekozen voor afsplitsen en individueel uitspraak doen over de individuele-lastvraag, zitten we nu met zowel een – trage - massaalbezwaarprocedure als tienduizenden individuele procedures, als afstemmingsproblemen. De massaal-bezwaarprocedure betreft twee rechtsvragen: (i) schendt box 3 2017 het eigendomsgrondrecht? (ii) Schendt box 3 2017 het discriminatieverbod? Bij vraag (ii) doet de complicatie van bezwaarsplitsing zich niet voor. Volgens het systeem van de massaal-bezwaarprocedure wordt die vraag dus geacht de Hoge Raad te bereiken in de massaal-bezwaarprocedure, maar A-G Wattel ziet er geen enkel bezwaar in als de Hoge Raad die vraag al declaratoir beantwoordt in de aanhangige zaak 20/02453. Bij de vraag naar schending van het eigendomsgrondrecht, ter zake waarvan de bezwaren wél gesplitst zijn, rijzen twee vragen: (i) eisen de algemene AWR- en Awb-regels over bezwaar en (hoger) beroep, die voor de individuele procedures niet worden uitgeschakeld door de massaal-bezwaar-bepalingen (integendeel; art. 25f(2) AWR), dat de belastingrechter het volle besluit in primo beoordeelt?; (ii) kán de belastingrechter zinvol de vraag beoordelen of box 3 in concreto het individuele eigendomsrecht schendt zonder zich te verdiepen in de vraag of box 3 in abstracto (systemisch) het eigendomsrecht schendt? Ad (ii): A-G Wattel meent dat de feitenrechter de vraag of box 3 in concreto het eigendomsrecht van de hem adiërende justitiabele schendt kan beantwoorden zonder box 3 systemisch op grondrechtelijke aanvaardbaarheid te beoordelen. Ook als box 3 stelselmatig EVRM-onverenigbaar is door (discriminatoire) schending van het eigendomsrecht van grote groepen belastingplichtigen, hoeft hij desondanks niet buiten toepassing te blijven bij degenen wier werkelijke vermogensrendement op of boven het gemiddelde rendement ligt. Bij hen is immers géén sprake van schending van de fair balance. De stelselvraag kan in een individuele procedure dus gemist worden. Als op individueel grondrechten zijn geschonden, kan en moet die schending op individueel niveau weggenomen worden door de wet in dat geval buiten toepassing te laten. De individuele belastingplichtige wordt geen rechtsbescherming onthouden als hij de stelselvraag niet free standing, dus los van zijn eigen geval, aan de orde kan stellen. Het EVRM eist geen free standing action tegen wetten, maar individuele rechtsbescherming. Ad (i). De wet zegt niets over de procedure in (hoger) beroep tegen individuele deeluitspraken op gesplitste bezwaren die voor het andere deel als massaal zijn aangewezen en waarop later nog een collectieve uitspraak zal volgen; de parlementaire geschiedenis evenmin. HR BNB 2003/172 zegt dat een bezwaar tegen een aanslag moet worden beschouwd als een bezwaar tegen die aanslag in zijn totaliteit, maar dit arrest is gewezen in de context van interne compensatie bij uitspraak op bezwaar en in (hoger) beroep en de vraag of dat een verboden reformatio in peius is. De A-G acht de context van afstemming tussen een massaal-bezwaar-procedure en talloze individuele procedures zodanig anders dan de context van mogelijke reformatio in peius dat dit arrest hem daarbij niet relevant lijkt. Volgens hem kan de stelselvraag in de massaal-bezwaarprocedure gelaten worden. De A-G signaleert de mogelijkheden dat (i) de rechter de individuele zaken teruggooit over de schutting bij de belastingdienst om daar te wachten op de collectieve uitspraak, of dat (ii) alle individuele box 3 procedures 2017 worden stilgelegd tot dat moment, maar dat heeft volgens hem geen zin omdat een antwoord op de stelselvraag niet nodig is om individueel het eigdenodmsrecht te beschermen en omdat de Hoge Raad in HR BNB 2020/141, over box 3 2015, geen antwoord gaf op de rechtsvraag daarove omdat het oordeel dat box 3 stelselmatig het eigendomsrecht schendt de vraag doet rijzen hoe die schending dan op stelselniveau moet worden opgeheven, welke vraag volgens de Hoge Raad niet door de rechter, maar door de politiek moet worden beantwoord. Weliswaar is de inzet van de massaal-bezwaarprocedure 2017 anders dan in 2015 omdat (i) box 3 in 2017 fundamenteel is gewijzigd, en (ii) voor 2017 ook het discriminatieverbod aan de orde is gesteld, maar zelfs als de Hoge Raad box 3 2017 systemisch (ook) onverenigbaar zou achten met het discriminatieverbod naast het eigendomsrecht, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij zich voor 2017 wél geroepen voelt om in abstracto in te grijpen, gegeven dat de feitenrechter individueel rechtsbescherming kan bieden voor wat betreft het eigendomsrecht, en hij voor wat betreft het discriminatieverbod vooralsnog hoogstens een declaratoir kan geven omdat de gepriviligieerden even zeer méér zullen moeten gaan betalen als de excessief onderbelasten minder, dan dat ligt buiten bereik van de rechter. Het voornaamste bezwaar tegen deze stand van zaken is niet het ontbreken van rechterlijk ingrijpen op stelselniveau, maar de magere rechtsbescherming op individueel niveau als gevolg van de uitleg van het criterium individual and excessive burden. De meest waarschijnlijke uitkomst van de massaal-bezwaarprocedure box 3 2017 is dus dat de Hoge Raad, zelfs als hij een negatief declarator zou geven, niet een collectief systeem voor rechtsherstel bedenkt voor honderdduizenden box 3-gedupeerden. Dat zal op regelgevings-niveau geboden moeten worden, i.e. door de wetgever. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging het Hof Arnhem-Leeuwarden als volgt te antwoorden: De feitenrechter in belastingzaken geeft in buiten de massaal-bezwaarprocedure box 3 2017 liggende gevallen waarin de vraag naar de systemische verenigbaarheid van box 3 2017 met het eigendomsgrondrecht aan de orde wordt gesteld naast de vraag of het individuele eigendomsrecht van de betrokken belastingplichtige in concreto is geschonden, geen beslissing over de eerste vraag, maar wel over de laatste vraag. De feitenrechter in belastingzaken geeft in buiten de massaal-bezwaarprocedure box 3 2017 liggende gevallen waarin de vraag naar de systemische verenigbaarheid van box 3 2017 met het discriminatieverbod aan de orde wordt gesteld, geen beslissing over die vraag.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Gelderland 10 februari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:639
- Hof Arnhem-Leeuwarden 30 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7854
- Hof Amsterdam 22 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2540
- Rb. Noord-Holland 22 september 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8925
- Rb. Zeeland-West-Brabant 9 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4246
- Rb. Gelderland 27 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4363
- Rb. Noord-Holland 22 juli 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5280
- Hof 's-Hertogenbosch 2 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2000
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831
- Conclusie A-G Niessen 27 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:186
- HR 20 december 2019 (Urgenda), ECLI:NL:HR:2019:2006
- HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084
- HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816
- HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511
- Conclusie A-G Niessen 15 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1397
- EHRM 24 november 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD004942999
- HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713
- Conclusie A-G Wattel 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AD9713
- EHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998
- EHRM 19 juli 1968, ECLI:CE:ECHR:1968:0719DEC000343567