Conclusie A-G Niessen 28 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:108
Het geschil in cassatie betreft de vraag of de ministeriële regelgever met artikel 38 van de Uitv.reg. IB 2001 buiten de aan hem gedelegeerde bevoegdheid is getreden door het beperken van de in aftrek te brengen uitgaven voor extra kleding en beddengoed in de zin van artikel 6.17, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een bedrag ad € 7.493 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen, waaronder begrepen € 775 voor extra kleding en beddengoed. Hij heeft later bij brief verzocht om de uitgaven voor extra kleding en beddengoed vast te stellen op € 1.775. De Inspecteur beperkte de aftrek tot € 775. Naar ’s Hofs oordeel is aan de ministeriële regelgever niet de bevoegdheid gedelegeerd om de aftrek voor extra kleding en beddengoed te beperken tot een forfaitair bedrag. Het Hof verklaarde de regeling in zoverre onverbindend. Het Hof heeft de zaak teruggewezen naar de Inspecteur, teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen om aannemelijk te maken dat en tot welk bedrag hij in het onderhavige jaar uitgaven voor extra kleding en beddengoed heeft gedaan. De Staatssecretaris kwam tegen dat oordeel op in cassatie. Naar zijn mening heeft het Hof uit de parlementaire geschiedenis een onjuiste conclusie getrokken aangaande de reikwijdte van de delegatie die is opgenomen in artikel 6.17 Wet IB 2001. Belanghebbende tekende incidenteel cassatieberoep aan. Hij klaagt er in cassatie onder meer over dat de aftrekbeperking in strijd is met artikel 1 EP EVRM en ongeschreven rechtsbeginselen. De A-G heeft overwogen dat de bewoordingen van artikel 6.17, lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001 geen beperking inhouden ter zake van de wijze waarop en de mate waarin de ministeriële regelgever het in aanmerking nemen van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed kan regelen. Een dergelijke open norm sluit zijns inziens niet ten principale uit dat de minister de aftrek forfaitair regelt, maar impliceert anderzijds ook niet noodzakelijkerwijs dat een forfait in overeenstemming is met de bedoeling die de wetgever had met de in de wet opgenomen aftrek. Hoewel een forfaitaire regeling uitvoeringsproblemen vermijdt en een dergelijke begrenzing reeds sinds de invoering van de aftrek voor uitgaven van extra kleding en beddengoed in 1974 bestaat, komt de A-G tot de slotsom dat de wetgever de bevoegdheid wilde geven om administratieve regels vast te stellen voor de bewijsvoering en niet om daarbij een plafond te stellen aan de wettelijk geregelde aftrek, en dat artikel 38 Uitv.reg. IB 2001 in zoverre onverbindend is. Belanghebbendes incidentele cassatieberoep strandt reeds op het ‘eigendomscriterium’ van artikel 1 EP EVRM, nu hij geen legitieme verwachting heeft tot het verkrijgen van een belastingaftrek. Dit beroep komt slechts aan de orde wanneer de Hoge Raad van oordeel is dat het in artikel 38 Uitv.Reg. IB 2001 opgenomen forfait niet onverbindend is. Er vloeit in dat geval géén legitieme verwachting tot het verkrijgen van effectief genot van een onbeperkte aftrek van extra kleiding en beddengoed voort uit de wet. Belastingheffing in algemene zin is in belanghebbendes geval ook niet in strijd artikel 1 EP EVRM. Er is geen sprake van een excessive individual burden, nu niet is gesteld dat belanghebbende, vanwege hoge onontkoombare ziektekosten, niet is staat is uit het overige inkomen belastingheffing te voldoen om levensonderhoud te betalen, aldus de A-G. De conclusie strekt ertoe dat zowel het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als belanghebbendes incidentele cassatieberoep ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 120 Gw
- Artikel 26 AWR
- Artikel 47 AWR
- Artikel 5:1 BW5
- Artikel 6:106 BW6
- Artikel 3:6 BW3
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 3:3 Awb
- Artikel 7:2 Awb
- Artikel 8:31 Awb
- Artikel 8:42 Awb
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 8:88 Awb
- Artikel 10:15 Awb
- Artikel 6.1 Wet IB 2001
- Artikel 6.17 Wet IB 2001
- Artikel 9.3 Wet IB 2001
- Artikel 12 Uitv reg IB 2001
- Artikel 38 Uitv reg IB 2001
- Artikel 28 Wfsv
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6354
- Conclusie 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:740
- HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041
- HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1464
- Conclusie A-G Wattel 27 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:162
- HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:343
- Conclusie A-G NIESSEN 20 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY9291
- HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8050
- HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7557
- HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 4 juni 2002, ECLI:NL:XX:2002:AN6996
- HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725
- HR 12 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3710