Art. 6:8 Wft, Schadeloosstelling bij onteigening
Wet op het financieel toezicht (Wft)
1. De rechthebbende ten aanzien van een krachtens artikel 6:2 onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering of een ingevolge het zesde lid van dat artikel vervallen recht op nieuw uit te geven effecten heeft recht op schadeloosstelling. De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor de schade die hij rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn vermogensbestanddeel, effect of vordering of vervallen recht lijdt.
2. Vergoed wordt de werkelijke waarde die het onteigende vermogensbestanddeel of effect of de onteigende vordering, onderscheidenlijk het vervallen recht, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt, heeft. Indien het onteigende effect een niet volgestort aandeel is, wordt de werkelijke waarde daarvan vergoed naar rato van het gestorte bedrag.
3. De op een onteigend vermogensbestanddeel of effect of onteigende vordering rustende rechten van pand of vruchtgebruik en de Onze Minister bekende beslagen gaan op het tijdstip van de onteigening over op het recht op schadeloosstelling. Aan een op een onteigend vermogensbestanddeel rustend recht van hypotheek komt de werking toe van een pandrecht op het recht op schadeloosstelling.
4. Indien een aandeel wordt onteigend waarvoor met medewerking van de vennootschap een certificaat of een daarmee vergelijkbaar financieel instrument is uitgegeven, komt in afwijking van het eerste lid het recht op schadeloosstelling toe aan de houder van dat certificaat of dat financiële instrument en vervalt het certificaat, onderscheidenlijk het financiële instrument.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661
- Hof Amsterdam 11 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1966
- HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:649
- ABRvS 25 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265
- Hof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:594
- Hof Amsterdam 11 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:316
- Hof Amsterdam 16 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1296
- HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2904
- Conclusie A-G Timmerman 10 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1825
- HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:839
- Conclusie A-G Niessen 15 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1397
- Hof Amsterdam 24 augustus 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2592
- Conclusie A-G Lückers 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:419
- Hof Amsterdam 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3366
- Hof Amsterdam 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3360
- Rb. Amsterdam 23 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7011
- Conclusie A-G Assink 28 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:995
- Conclusie A-G Assink 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:684
- Conclusie A-G Assink 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:683
- Conclusie A-G Timmerman 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:536