Hof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:594
Uitspraak inzake schadeloosstelling onteigende effecten en vermogensbestanddelen SNS REAAL N.V. en SNS Bank N.V. Deskundigenbericht De Ondernemingskamer beveelt met het oog op de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling van onteigende effecten en vermogensbestanddelen SNS REAAL N.V. en SNS Bank N.V een onderzoek. De Ondernemingskamer benoemt tot deskundigen om dit onderzoek te verrichten: • mr. A.A.M. Deterink, te Schijndel • dr. H. Oosterhout, te Amsterdam • mr. E.M. Jansen Schoonhoven MBA, te Den Haag Schadeloosstelling; maatstaf en uitgangspunten De schadeloosstelling dient te worden begroot op de werkelijke waarde die het onteigende vermogensbestanddeel of effect heeft, waarbij dient te worden uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de betrokken financiële onderneming in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije verkoop in het economisch verkeer tussen de onteigende als redelijk handelend verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. De Ondernemingskamer geeft aan de deskundigen de volgende uitgangspunten voor de waardering. Het peilmoment Het peilmoment is het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening, zijnde 1 februari 2013, om 8.30 uur. Het toekomstperspectief De deskundigen dienen uit te gaan - van het te verwachten toekomstperspectief van SNS Reaal respectievelijk SNS Bank op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, in welk perspectief verdisconteerd zijn de ernst van de problemen waarin SNS Reaal en SNS Bank op het peilmoment verkeerden en voorts alle verdere feiten en omstandigheden die zich op dat tijdstip voordeden en die voor de veronderstelde koop van belang waren of konden zijn, - en van de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, tussen redelijk handelende personen op het tijdstip van onteigening tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije verkoop van de onderscheiden effecten respectievelijk vermogensbestanddelen in het economische verkeer tussen redelijk handelende partijen. Tot de feiten en omstandigheden die zich op het peilmoment voordeden behoren - de waarde van activa en passiva per dat tijdstip, zoals deze indien nodig door deskundigen nader wordt vastgesteld, alsmede - het optreden van DNB in het kader van haar toezichthoudende taak, zoals zich dat heeft voorgedaan tot aan het peilmoment, - maar niet gebeurtenissen en ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan. Abstraheren Bij dit een en ander dient te worden geabstraheerd van het concrete voornemen tot en de voorbereidingen voor de onteigening alsmede van de omstandigheid dat de Minister als gegadigde tot op zekere hoogte in een dwangpositie verkeerde, omdat SNS Bank als systeemrelevante instelling moet worden beschouwd. Een gevonden waarde van het onteigende dient te worden gecorrigeerd, indien en voor zover deze waarde mede hierdoor wordt bepaald. De Ondernemingskamer acht het voorshands aannemelijk dat DNB, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, kort na 1 februari 2013 de rechtbank Amsterdam zou hebben verzocht om toepassing van de noodregeling als bedoeld in artikel 3:160 Wft en dat de rechtbank dit verzoek zou hebben toegewezen. Het staat de deskundigen evenwel vrij een ander toekomstperspectief (mede) in hun beoordeling te betrekken indien zij aanwijzingen hebben dat (er een aanzienlijke kans zou zijn geweest dat) DNB niettemin zou hebben afgezien van een verzoek om toepassing van de noodregeling en/of dat de rechtbank toepassing van de noodregeling zou hebben afgewezen. Beurskoers De deskundigen kunnen, indien zij daartoe aanleiding zien, de beurskoers in hun beschouwingen betrekken, maar zij dienen de beurskoers niet tot uitgangspunt te nemen. Indien de deskundigen de beurskoers in hun beschouwingen betrekken, dienen zij onder ogen te zien of koersrelevante gegevens geacht kunnen worden indertijd al dan niet in de beurskoers te zijn verdisconteerd. Verdisconteren staatsteun De deskundigen dienen het voorts tot hun taak te rekenen om te onderzoeken of en in welke mate de door de Staat in 2008 in de vorm van Core Tier 1 capital securities verleende staatssteun (€ 750 miljoen waarvan nog € 565 miljoen resteert), gelet op de (resterende) terugbetalingsverplichting, de boeterente en verdere voorwaarden, per saldo – op het peilmoment – een kwantificeerbaar waardeverhogend effect had op de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Dit geldt op overeenkomstige wijze voor eventuele andere steun die zou zijn verleend, bijvoorbeeld in de vorm van door de Staat verstrekte garanties. SNS Participatie Certificaten 3 De deskundigen dienen de SNS Participatie Certificaten 3 te waarderen zowel ervan uitgaande dat deze als achtergesteld moeten worden beschouwd, als ervan uitgaande dat deze niet als achtergesteld worden beschouwd. Overige onteigende obligaties en achtergestelde vorderingen; 2:403 verklaring Alle overige te waarderen obligaties en andere vorderingen moeten als achtergesteld worden aangemerkt zoals neergelegd in de desbetreffende overeenkomsten, ook de Stichting Beheer SNS Reaal Core Tier 1 securities en de FNV Stichting lening 1997-2014. De crediteuren van de achtergestelde vorderingen op SNS Bank moeten – bij hun aanspraken uit artikel 2:403 BW op SNS Reaal – worden aangemerkt als concurrente crediteuren van SNS Reaal. Voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek Het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek zal ten laste komen van de Minister. De Ondernemingskamer zal de deskundigen vragen om bij aanvang van hun werkzaamheden een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te zenden met een verzoek om vaststelling van het voorschot. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich over die begroting uit te laten en vervolgens het bedrag van het voorschot bepalen. Kosten van door belanghebbenden ingeschakelde deskundigen De kosten verbonden aan de door belanghebbenden ingeschakelde deskundigen, voor zover die kosten zijn gemaakt voorafgaand aan de beschikking van 11 juli 2013, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking op de voet van artikel 6:11 lid 4 Wft, met dien verstande dat de Ondernemingskamer zal toetsen of de kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Omdat de Ondernemingskamer bij beschikking van 11 juli 2013 heeft geoordeeld dat zij een deskundigenonderzoek zal gelasten, is het niet vanzelfsprekend dat de nadien en voorafgaand aan het deskundigenonderzoek gemaakte kosten van partijdeskundigen voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt in het bijzonder voor het rapport van SMAN van 21 augustus 2015. De Ondernemingskamer stelt de desbetreffende belanghebbenden in de gelegenheid om zich bij akte na deskundigenbericht uit te laten over deze, na 11 juli 2013 gemaakte, kosten van door hen ingeschakelde deskundigen en over de vraag of die kosten in redelijkheid zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven. ***
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 16 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 198 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 50 Onteigeningswet
- Artikel 2:403 BW2
- Artikel 6:10 BW6
- Artikel 6:11 BW6
- Artikel 3:277 BW3
- Artikel 3:159c Wft
- Artikel 3:160 Wft
- Artikel 6:8 Wft
- Artikel 6:9 Wft
- Artikel 6:10 Wft
- Artikel 6:11 Wft
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 8 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2779
- Rb. Amsterdam 1 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3962
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661
- Rb. Rotterdam 31 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6522
- Rb. Amsterdam 12 oktober 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ9939
- Rb. Amsterdam 13 oktober 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF8586
- Rb. Amsterdam 9 december 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU8010