ABRvS 25 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265

Besluit waarbij is overgegaan tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van de naamloze vennootschap SNS REAAL N.V. en de naamloze vennootschap SNS Bank N.V. en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij SNS REAAL. (…) Ten aanzien van het betoog dat de minister de door het onteigeningsbesluit onteigende houders van effecten en vermogensbestanddelen voor de totstandkoming van dat besluit op grond van art. 4:8, lid 1 Awb in de gelegenheid had moeten stellen om hun zienswijze daarover te geven, oordeelt de Afdeling dat dit faalt. Ingevolge art. 4:11, lid 1, aanhef en onder a en c Awb kan het bestuursorgaan toepassing van art. 4:8 achterwege laten, voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet dan wel het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt, indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. Gezien de aard en het doel van het onteigeningsbesluit, mocht de minister toepassing van art. 4:8, lid 1 Awb achterwege laten, nu het vroegtijdig bekend worden van een mogelijke onteigening de risico’s voor de stabiliteit van het financiële stelsel had kunnen vergroten. (…) Appellanten betogen dat de regeling in de Wft en de wijze waarop de Afdeling deze zaak heeft behandeld in strijd is met hun door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De Afdeling onderkent dat de (beroeps)termijnen die volgen uit het bepaalde in art. 6:6, lid 1 en 6:7, lid 3 van de Wft veel korter zijn dan in bestuursrechtelijke procedures gebruikelijk is. Met deze bepalingen wordt echter het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern aangetast. Voorts dienen de gestelde termijnen een rechtmatig doel. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het algemeen belang bij een spoedige uitspraak in dit geval uitzonderlijk groot is. Het onteigeningsbesluit beoogt een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel af te wenden. Zolang onzeker is of dit besluit in stand blijft, wordt dit doel niet volledig bereikt. Gelet op dit zwaarwegende algemene belang zijn de in de Wft neergelegde termijnen niet in strijd met art. 6 van het EVRM en heeft de Afdeling haar werkwijze zo ingericht als nodig was om binnen de wettelijke termijn uitspraak te doen. Daarbij is van belang dat appellanten hun standpunten zowel schriftelijk als mondeling naar voren hebben kunnen brengen en zij dat in veel gevallen ook daadwerkelijk hebben gedaan. Dat dit ook van appellanten een ongewone inspanning heeft gevergd, maakt dit gelet op het uitzonderlijke karakter van deze zaak niet anders. (…) In art. 8:29 Awb is niet voorzien in een bijzondere regeling voor gedingen, waarbij meer dan twee partijen zijn betrokken. De Afdeling ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de weigering van sommige appellanten om toestemming, als bedoeld in art. 8:29, lid 5 Awb, te geven, tot gevolg dient te hebben dat de Afdeling zonder kennis te hebben genomen van de passages waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, uitspraak doet, terwijl een aantal andere appellanten juist uitdrukkelijk heeft betoogd dat de Afdeling wel kennis dient te nemen van die passages. In dit uitzonderlijke geval heeft de Afdeling, teneinde de ingevolge art. 6 EVRM vereiste volledige rechtmatigheidstoetsing van het onteigeningsbesluit te kunnen verrichten, aanleiding gezien om alsnog kennis te nemen van de volledige rapporten. In de inhoud daarvan ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan hiervoor is overwogen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen