Conclusie A-G Hofstee 11 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:974

OM-cassatie en cassatie verdachte. Terroristische misdrijven i.h.k.v. een niet-internationaal gewapend conflict op Sri Lanka. Veroordeling van “Tamil Tijger” wegens deelname aan een internationale criminele organisatie (LTTE) en een nationale criminele organisatie (TCC) die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, art. 83a, 140 en 140a Sr, Verdragen van Genève, Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève en Tweede Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. 1. Verweer dat het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is en het commune strafrecht is uitgeschakeld, aangezien op Sri Lanka sprake was van een internationaal gewapend conflict. 2. Niet beslist op uos dat LTTE de facto een staat was en er ook om die reden sprake was van een internationaal gewapend conflict. 3. Toetsingskader art. 83a en 140a Sr. 4. Verweer dat beginsel van individuele aansprakelijkheid in de weg staat aan vervolging van verdachte o.g.v. deelneming aan een criminele organisatie a.b.i. art. 140 Sr. Ad 1. ’s Hofs oordeel dat in Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict met een niet-internationaal karakter zodat het commune strafrecht van toepassing is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd gelet op feitelijke vaststellingen van Hof t.a.v. rol van India. Ad 2. Middel klaagt terecht dat Hof niet heeft beslist op uos. Geen cassatie omdat Hof het aangevoerde slechts had kunnen verwerpen. Opvatting dat het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing was en niet het commune strafrecht, nu in Sri Lanka sprake was van een internationaal gewapend conflict, is onjuist. Aangevoerde f&o wettigen niet de gevolgtrekking dat sprake is van een internationaal gewapend conflict waarop het internationale humanitaire recht van toepassing is. Ad 3. In Sri Lanka was sprake van een gewapend conflict met een niet-internationaal karakter, terwijl LTTE i.h.k.v. dat conflict (ook) personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen als doelwit van aanslagen heeft genomen. Uit art. 3 Verdragen van Genève vloeit naar zijn aard niet voort dat anderen dan de niet aan de strijd deelnemende personen geen bescherming toekomt tegen aanslagen op hun leven of tegen lichamelijke geweldpleging. Onjuist is opvatting dat i.g.v. een intern gewapend conflict het internationale humanitaire recht exclusief van toepassing is, zodat de toepasselijkheid van het commune strafrecht is uitgeschakeld (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AF6988). Gelet hierop getuigt ‘s Hofs oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven en dat hij daarvoor naar commuun Nederlands strafrecht kan worden vervolgd en bestraft, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Ad 4. Middel berust op opvatting dat een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie a.b.i. art. 140 Sr naar haar aard niet kan worden aangemerkt als een veroordeling wegens een strafbaar feit o.g.v. individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Deze opvatting is onjuist, aangezien in art. 140 Sr de persoonlijke betrokkenheid van verdachte bij de organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld, in welk verband voor de deelneming aan die organisatie vereist is dat verdachte niet alleen tot die organisatie behoort, maar ook dat hij daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van die organisatie (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BW5161). Middelen OM: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/02147, 15/04691, 15/04692 en 15/04693.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken