Conclusie A-G Machielse 5 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY3440
Vervolgingsuitlevering aan VS. De aard van de uitleveringsprocedure verzet zich ertegen dat de uitleveringsrechter met het oog op de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het verdragsrechtelijke – in casu in art. 2 Uitleveringsverdrag neergelegde – vereiste betreffende de dubbele strafbaarheid onderzoek doet naar het bestaan van enige bijzondere omstandigheid die volgens het recht van de verzoekende Staat dan wel dat van de aangezochte Staat tot gevolg heeft dat het wettelijk voorschrift waarbij het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, strafbaar is gesteld, buiten toepassing moet blijven. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar een omstandigheid op grond waarvan de Nederlandse strafrechter niet bevoegd zou zijn de in art. 2.3.a Uitleveringsverdrag bedoelde rechtsmacht uit te oefenen. Dit brengt mee dat zo een omstandigheid slechts dan kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering indien zij hetzij rechtstreeks volgt uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, hetzij anderszins zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, door de uitleveringsrechter als vaststaand kan worden aangenomen, bijvoorbeeld op grond van hetgeen door of namens de opgeëiste persoon bij de behandeling van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht. Die omstandigheid dient dan voldoende precies te worden aangewezen en de verdediging behoort gemotiveerd – in voorkomend geval door relevante bescheiden gestaafd – aan te geven dat en waarom deze tot gevolg heeft dat niet is voldaan aan het vereiste van de (dubbele) strafbaarheid dan wel aan de in genoemd art. 2.3.a omschreven rechtsmachtvoorwaarde. Het i.c. ter zitting gevoerde verweer berust op de opvatting dat, nu er t.t.v. de in het uitleveringsverzoek bedoelde gedragingen in Irak sprake was van een internationaal gewapend conflict, het internationaal humanitair recht van toepassing was en dat het o.g.v. dat recht aan opstandelingen was toegestaan “militaire doelen aan te vallen, op te blazen en te strijden tegen soldaten van de tegenpartij, in dit geval de Amerikaanse troepen.” Het gaat dus, zo wordt in dat betoog geconcludeerd, om legitieme krijgshandelingen die onder het internationaal humanitair recht niet verboden en daarom naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. Deze opvatting, waarin niet wordt onderscheiden naar de status van de bedoelde opstandelingen, is echter onjuist, gelet op art. 1.4 jo. art. 43 van het hier toepasselijke Eerste aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève van 12-8-1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Trb. 1978, 41). Voor het door het verweer ingeroepen rechtsgevolg moet immers aan meer voorwaarden zijn voldaan dan dat er sprake is geweest van een internationaal gewapend conflict, t.w. dat betrokkene behoorde tot “the armed forces of a Party to a conflict”, terwijl er verder strikte voorwaarden gelden voor een “a Party to a conflict”, niet zijnde een Staat, wil het internationaal humanitair recht voor de leden van de gewapende strijdkrachten van een zodanige partij gelden. Gelet op het voorgaande en voorts in aanmerking genomen dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken ook niets bevatten waaraan enig aanknopingspunt kan worden ontleend dat de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, gerechtvaardigd zouden zijn door de toepasselijkheid van het internationaal humanitair oorlogsrecht, heeft de rb terecht geoordeeld dat hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd niet aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg staat.
De uitspraak op rechtspraak.nl