Hof 's-Hertogenbosch 26 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944

Art. 8:42 Awb. Art. 8:29 Awb. Art. 67 AWR. BZN (Bank Zonder Naam). Tussenuitspraak geheimhoudingskamer. Verschil tussen geheimhouding en beperkte kennisneming. Bij geheimhouding mogen de rechter, die de hoofdzaak beslist, en belanghebbende geen kennis nemen van de ongeschoonde (delen van de) stukken en blijven deze (delen van de) stukken bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing. Bij beperkte kennisneming neemt de rechter, die de hoofdzaak beslist, met toestemming van belanghebbende (artikel 8:29, lid 5 van de Awb) bij de beoordeling van het geschil wel kennis van die stukken (in ongeschoonde vorm), maar belanghebbende niet. De Inspecteur verzoekt om op grond gewichtige redenen in stukken gegevens te mogen schonen, deze gegevens geheim te mogen houden en een stuk geheel geheim mogen te houden. De Inspecteur voert als redenen aan: (A) de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen; (B) het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden; (C) het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten; (D) het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten; (E) de bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen; (F) de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen; (G) controlestrategische overwegingen. De geheimhoudingskamer oordeelt als volgt: Ad (A): De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat (1) bekendmaking van deze stukken (in ongeschoonde vorm) noodzakelijk is voor uitvoering van de belastingwet en de heffing van een rijksbelasting (art. 67, lid 1 van de AWR) en (2) de geheimhoudingsplicht ingevolge artikel 67, lid 2, aanhef, onderdeel a van de AWR moet wijken voor andere wettelijke bepalingen, in dit geval artikel 8:42 van de Awb. Ad (B): Dat op de persoonlijke levenssfeer van derden een directe, ernstige inbreuk zal plaatsvinden indien hun namen niet worden geschoond is niet zonder meer een gewichtige reden (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184). Ad (C): Dat opsporing en vervolging van strafbare feiten zou worden gehinderd is door de Inspecteur in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Ad (D) Dat de betrekkingen van Nederland met andere staten zou worden gehinderd is door de Inspecteur in dit geval niet aannemelijk gemaakt. De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de onder (A) tot en met (D) genoemde redenen geen gewichtige redenen zijn. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat bij de onder (E) tot en met (F) genoemde redenen het belang van de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende en dus gewichtige redenen zijn en geheimhouding gerechtvaardigd is. Voorts oordeelt de geheimhoudingskamer, dat de Rechtbank bij de beoordeling van het verzoek om geheimhouding een onjuist criterium heeft aangelegd. Niet beslissend is dat belanghebbende gegevens niet nodig heeft voor verdediging van zijn standpunt (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182). Wel beslissend is of het belang bij geheimhouding door de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende: het in het kader van een eerlijk proces kennisnemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken